Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarbij bloeien landbouw en veeteelt, de grond wordt te kostbaar om hem onder water te laten; de Hollanders en Zeeuwen beginnen, zooals Cats, die zelf zijn geld in de onderneming stak, het uitdrukt „met grooten ernst van water lant te maecken" '). Een der eersten, die gedurende dit tijdvak octrooi vraagt om land in te dijken, op Texel, is onze eerlijke geschiedschrijver Everhard van Reyd 2). De Zijpe wordt — voor de tweede maal, maar thans voor goed — bedijkt. De indijking en droogmakerij, die binnen een halve eeuw Westfriesland onkenbaar zullen maken, worden met kracht aangevangen 3). De bevolking neemt snel toe; in het begin der volgende eeuw telt Holland met Westfriesland alleen minstens zes maal honderdduizend inwoners, dat is een vijfde der bevolking die vijftig jaren te voren aan al de zeventien gewesten te zamen werd toegekend 4). De steden breiden zich in omvang uit: Rotterdam, onder het pensionarisschap van Oldenbarnevelt's broeder, delft zich zijn ruimste havens; Amsterdam maakt zich gereed dit voorbeeld, op veel grooter schaal nog, na te volgen.

Geen wonder, dat Philips dien voorspoed zijner rebellen met leede oogen aanzag, en dat hij dien zocht te verhinderen, zooveel hij vermocht. Al kon hij de goederen, die de Hollandsche schippers hem aanbrachten, niet ontberen, toch was het hem een ergernis hen telkens met grove winst weer uit Spanje te zien wegzeilen. Langen tijd bepaalde hij zich tot weinig afdoende en tijdelijke maatregelen. Wetende dat hij niet buiten de ondernemende ketters kon, liet hij hen op zijn rijken oogluikend handel drijven; van tijd tot tijd werden enkele schepen in beslag genomen, enkele schippers in zijn dienst geprest of voor de inquisitie terechtgesteld; maar tot een algemeenen maatregel, die de Nederlandsche kooplieden voorgoed verdrijven kon, kwam het niet. Eerst

kusten van Groot-Brittannië visschen. Vgl. de „Heilzame maximen", blz. 30. — Ook Carletnn, in een brief van 6 Maart 1620, berekent de Hollandsche visschers op vijftigduizend: Letters p. 447.

1) Twee-en-tachtig-jarigh leven.

'2) Resol. d. St. v. Holl. 1594, blz. 360; 1595, blz. 267.

3) In het bedijken der Westfriesche landen was ook Oldenbarnevelt betrokken. — Zie Mr. G. de Vries Versl. en Meded. d. K. Acad. 3e R. II, bi. 39.

4) De la Court, in de „Heilzame maximen" blz. 41, leidt uit het hoofdgeld van 1622 als maximum der bevolking dit getal]'af; maar hij acht het veel te gering, en wordt daarin door van Leeuwen, Bat. III. blz. 369, gevolgd. — De bevolking der zeventien provinciën schat Guicciardini, p. 149, op drie millioenen; Badoero even hoog, Relaz. p. 289.

Sluiten