Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lapland noord-oostwaarts opliep tot in kaap Tabis, ongeveer ter lengte van de Oby-golf, en vandaar weer zuid-oostwaarts af helde naar China en Japan. De kaart van Ortilius in zijn „Theatrum Orbis", omstreeks dezen tijd geteekend, verzinnelijkt ons die voorstelling het best. Waar dus alles op aankwam, was de breedte dier uiterste landspits, Tabis, te kennen; naderde zij de Noordpool tot in de streek van het nooit smeltende ijs, dan was de doortocht naar het Oosten afgesloten; eindigde zij op mindere breedte, dan kon men boven haar om in de zuidwaarts strekkende open zee doordringen. En waarom zou men niet gehoopt hebben, wat zoo wenschelijk was? Men las bij oude en middéeeeuwsche schrijvers van Indianen, die, uit hun koers gedreven, op de kust van Grermanië schipbreuk hadden geleden: hoe waren die derwaarts afgedwaald, zoo niet over de noordelijke zee, boven Azië om? 1). En bestond die weg, dan moest hij korter, wel 2000 mijlen korter zijn dan de zuidelijke om Afrika, en buitendien vrij van de woede der Kaapsche stormen, vrij van het geweld der Portugeescbe alleenhandelaars. Eens opgevat, scheen dat vermoeden door alles bevestigd te worden: wat men van de Russen en Laplanders, die in die streken woonden, vernemen kon, luidde gunstig. Wel hadden de Engelschen, sedert zij zich aan de Witte Zee gevestigd hadden, niet opgehouden, naar den doortocht te zoeken zonder hem te vinden; maar hadden zij planmatig en lang genoeg gezocht? De beroemde Hakluyt, die, meer dan eenig geograaf, al wat met dit vraagstuk in betrekking stond bestudeerd had, twijfelde niet of de doortocht bestond en was te vinden. En juist had men hier te lande het bericht ontvangen, dat een Russisch vaartuig, zooeven uit het Oosten te Archangel teruggekeerd, de Chineesche

1) Van Meteren, B. XVIII, f. 357. Van Meteren beschrijft nauwkeurig, wat men in het jaar 1594 van de ligging van Noord-Azië wist en vermoedde. Hij was daarmee bijzonder goed bekend, want op verzoek van den Tresorier van Zeeland, Jacob Valck, een groot voorstander der noordsche ontdekkingstochten, was hij met den beroemden Richard Hakluyt in overleg getreden, en had van dezen, voor een goede som gelds, een breed berichtschrift bekomen, waarin alles vervat en verklaard stond, wat tot nog toe over den noord-oostelijken doortocht bekend was geraakt. Zijn briefwisseling hierover met Valck wordt op het Rijksarchief bewaard; ongelukkig is het opstel van Hakluyt er niet bij. Maar den korten inhoud geeft Van Meteren aldus op; „Hij heeft mij getoont, wat sijn noten sjjn sullen; eerst wijst aan al wat bij de oude Grieksche ende Latynsche autheuren van den noordoostwegh de opiniën sjjn, met annotatiën waersij dat schrijven; ende so volght tot op onzen tijt alle die daervan gheschreven hebben; somma, uut alle tselfde moet een yegelyck van opinie worden dat die passagie is, ende hy en twyfelt daer niet aen", enz.

Sluiten