Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der onverdraagzame meerderheid, die de paapsche afgoderij en de papen zelf geweerd wilde hebben. Hoe langer hoe meer werd Roomschgezindheid en Spaanschgezindheid één; het heil des lands scheen te vorderen, dat men de kracht der roomsche Kerk, die voor Spanje misbruikt werd, verbrak. Daarom namen de Staten in 1573 hun zachtmoedige resolutie van het vorige jaar terug; de oefening van den roomschen godsdienst werd verboden *). Wie zal na een zoo lang tijdsverloop, beslissen, of het onvermijdelijk noodig was de godsdienstvrijheid, in wier naam de opstand was begonnen, al zoo spoedig te schenden? De Staten, die er toe overgingen, dedeq het waarschijnlijk tegen hun wensch, zeker tegen het verlangen van Prins Willem. Ook hadden zij in den nood van het land een beweegreden en een verontschuldiging, die aan latere wetgevers ontbroken heeft. Maar treurig heeft het voorbeeld, dat zij stelden, gewerkt: twee eeuwen lang zijn de Nederlandsche katholieken dientengevolge van hun rechten verstoken gebleven. Toen de Staten, in 1575, de hooge overheid aan Prins Willem opdroegen, vorderden zij van hem, dat hij de gereformeerde religie handhaven, de oefening der roomsche weren zou; gelukkig voeg-

t) Het juiste tijdstip, waarop de roomsche eeredienst verboden is, is mij nog niet bekend. Zeker vóór Juni 1574; de kerkorde, in die maand op de synode te Dordrecht ontworpen, onderstelt reeds dat de roomsche religie geschorst is. De Prins in zijn Apologie (uitg. Lacroix, p. 107, en bij Bor, Authcnt. st. II, blz. 83) zegt, dat het geschied is „in de vergadering van de Staten binnen Leiden;" en nu vernemen wij uit de Thesauriersrekeningen dier stad, dat daar in het St. Catharina's Zusterhuis in de allerlaatste dagen van Februari en de allereerste van Maart „sijn furstl. Gen. en de Staten 'slants" vergaderd zijn geweest. Kan deze vergadering het zijn, die de Prins bedoelt? Wij weten van hetgeen daar is voorgevallen en besloten volstrekt niets. Misschien bedoelt hij een latere, van welke wij dan zelfs de samenkomst niet weten. Uit een bericht van Tassis (bij Gachard, Corresp. de Guillaume le Taciturne, VI, p. 302) en uit een brief van een onbekende (Arch. de Ia Maison d'Orange-Nassau, IV p. 61) zien wij, dat in de eerste maanden van 1573, te Delft, en in de meeste steden van Holland, de roomsche religie eerst door het gemeen gestoord en dan door de regenten verboden werd. Denkelijk is daarop in den loop van het jaar door de Staten een algemeen verbod uitgevaardigd. Ongelukkig ontbreken, zooals bekend is, de notulen der Staten van den aanvang van 1572 af tot op 25 Aug. 1574 toe, en ook het notulenboek der Leidsche vroedschap mist juist het verhandelde van 1572 tot 15 Juli 1577. Met zekerheid kunnen wij dus noch den juisten tijd bepalen noch de toedracht dezer zoo hoogst gewichtigste resolutie beschrijven. Wat ik van de beweegredenen zeg, ontleen ik hoofdzakelijk aan de „Vriendelijke Vermaning aan de HH. Staten van Vlaanderen en Brabant" (bij Bor, Authent. st. I, blz. 150), aan de Apologie van Prins Willem (t. z. pl. II, blz. 83) en aan een Memorie door Marnix, Villiers en Taffin aan Jan van Nassau gericht, en gedrukt in het Scrinium Antiquarium van Gerdes, I, p. 103 sq. Zie inzonderheid p. 119 en vgl. daarmee Groen van Prinsterer, Archives, VI, p. 494.

Sluiten