Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den zij er bij dat niemand om zijn geloof vervolgd mocht worden '). En hiermede was voor goed de regel gesteld, dien de Staten, zoolang de republiek bestaan heeft, meer of min nauwlettend naar den geest.der tijden, zijn blijven volgen *). Zeeland nam, toen het zich door de Unie van 1576 op het nauwst aan Holland verbond, dezelfde staatkunde ten opzichte van den godsdienst aan 3). Daar was zelfs de weerzin tegen de papisten nog heviger dan onder de Hollanders. ,

De pacificatie van Gent bracht kort daarop de beide gewesten in gevaarlijke verbintenis met de nog roomsche provinciën, maar voorbedachtelijk liet zij hun hun eigene godsdienstregeling behouden; van den godsdienstvrede van Matthias, die op wederzijdsche gelijkstelling der oude en nieuwe religiën berustte, wilden Holland en Zeeland zelfs niet hooren. Wel namen zij de steden, die binnen hun grenzen de partij van den Spanjaard nog hielden, op bijzondere satisfactiën, waarbij de vrije, soms zelfs de uitsluitende oefening van den roomschen godsdienst gewaarborgd werd, in de pacificatie op; maar een oploop der bevolking was toereikend om ook daar den gereformeerden godsdienst tot den heerschenden en alleen geoorloofden te maken. Weinige maanden na het sluiten der pacificatie werd nergens in Holland en Zeeland de openlijke eeredienst der roomschen meer geduld.

De Unie van Utrecht hield dien toestand onveranderd in wezen, en liet den overigen bondgenooten vrij, den vrede van Matthias, dien zij omhelsd hadden, te blijven behouden, of anders te handelen zooals hun goeddocht — mits zonder gewetensdwang. Wat te voorzien was, gebeurde: allen volgden vroeger of later het voorbeeld van Holland, en verboden elke godsdienstoefening behalve

1) „En aengaende de religie sal sijn Exc. admitteren ende handhouden d'oeffeninge van de gereformeerde evangelische religie, doende surcheren ende ophouden d'exercitie van de roomsche religie... Sonder dat sijn Exc. sal toelaten dat men op yemants geloof of consciente sal inquireren, of dat yemant ter cause van dien eenige moeyenisse, injurie of letsel aengedaen sal worden." (15 Juli 1875). Hor, I, blz. 643.

2) Aanvankelijk vleide men zich dat het verbieden van den roomschen eerediensteen tijdelijke maatregel zou kunnen zijn. „Den Catholijcken (schrijft Van Meteren omstreeks 1599, in den aanhef van zijn xvi« B) en wert geen opentlijcke exercitie vergunt, politische wijse, om de oorloghe, bij provisie die schorssende voor eenen tijdt, totdat op deselfde vorder zoude mogen worden geresolveert bij de Landen of de Staten-Generael, nae een welghefondeerden ende versekerden vrede." Merkwaardig genoeg wordt die uitspraak in alle volgende uitgaven herhaald, ook in die van 1614, die namens deSt. v. Holl. door een commissie herzien is.

3) Bor, I, blz. 671.

Sluiten