Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijheid geweest zijn. Eigenbelang werkte ook hier uit, waartoe rechtvaardigheid alleen wellicht niet in staat zou geweest zijn. Een nog veel schandelijker drijfveer bewoog bovendien tot inschikkelijkheid jegens de roomschen; de hebzucht van schouten en baljuwen zag daarin een middel om zich te verrijken. Yan den aanvang der republiek af waren er, die zich het oogluikend toelaten van den roomschen kerkdienst lieten afkoopen. Reeds in 1594 werd de baljuw van Grootebroek beschuldigd — en naar het schijnt terecht — dat hij voor tachtig gulden in het jaar aan de papisten de exercitie hunner religie had veroorloofd !). Dat was toen nog iets ongehoords, maar spoedig werd het misbruik een soort van gewoonterecht, waarvan de katholieken gedurig openlijker partij trokken *). Onze Aitzema gewaagt herhaaldelijk van dit schandaal, en hij ergert zich vooral daaraan, dat het niet onaanzienlijke voordeel door de ambtenaars, in plaats van door het land, getrokken werd. Hij, voor zich, zou er wel voor zijn, de roomsche godsdienstoefening overal toe te laten „tegen genot van een goed stuk gelds voor de armen." Dat de roomschen als burgers recht hadden op even vrije godsdienstoefening als de protestanten, komt bij hem en bij zijn tijdgenooten niet op. In onzen tijd behoeven wij gelukkig niet te betoogen, hoe onverantwoordelijk het was, onder de toenmalige omstandigheden, een zoo aanzienlijk deel der bevolking van een zijner heiligste rechten verstoken te houden. Zonder het minste gevaar had men toen ter tijd den roomschen de openlijke godsvereering kunnen veroorloven. Ja, door die te vergunnen, had men hen nauwer aan het vaderland verknocht, en voorkomen dat zij zich tot op den vrede van Munster Spaanschgezind, en vervolgens Franschgezind betoonden, steeds vijandig jegens het vaderland, dat hen niet met de overige burgers gelijkstelde 3). Ook in dit opzicht acht ik onze voorouders niet zoozeer

1) Resol. St. v. Holl. 1594, blz. 569.

2) In een resolutie van 1666 verklaren H. H. M. „dat, gelijk door het niet executeren der plakkaten de oefening van de roomsche religie meer en meer openlijk heeft beginnen door te breken, zoo ook metter tijd door de officieren weinig mysterie heeft beginnen gemaakt te worden om te erkennen, dat by hen recognitiën van de priesters en roomsche ingezetenen getrokken worden, hoewel die zoogenaamde recognitiën in haar oorsprong en effecten niets anders zijn dan gelden, die gegeven worden tot een einde, waartegen bij de plakkaten voorzien was." Zie De Post van den Nederrhijn, IV, blz. 321.

3) De Groot schrijft in 1643 aan zijn broeder: „Romanensium apud vos vicem doleo.

s male ,ractationibus contra fidem, ut ipsi dicunt, publicam saepe interpositam, ' PIMiiv. At non tales erant cum Principem Arausionem in Brabantiam et Flandriam vocavere." Epist. 646. p. 951. — Vgi. nog Wagenaar, De Patriot, XlXe vertoog.

Sluiten