Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontdekte hij toevallig een vergadering van Joden, die den Grooten Verzoendag naar voorvaderlijk gebruik vierden. Zij waren eerst sedert weinige jaren uit het Pyreneesche schiereiland geweken naar deze gelukkige gewesten, die de Spaansche inquisitie hadden afgeweerd. Zij durfden hopen, dat zij hier, althans betrekkelijk, in vrede en veiligheid zouden leven. En hun hoop werd niet teleurgesteld. De doodvijanden van Spanje verdienden door de Nederlanders als vrienden behandeld te worden; zij, die door Spanje als verdachten waren uitgestooten moesten juist daarom in Nederland welkom zijn; de regeering besloot hen ongemoeid te laten, en legde hun alleen de verplichting op om voor het land en de regeering te bidden. In stilte en zonder aanstoot te geven mochten zij zich naar de oud-vaderlijke zeden gedragen en hun godsdienst onderhouden. Welk een uitkomst voor de diepverdrukten! Zij waren nog maar weinigen in getal, doch het goede onthaal, dat hun te beurt viel, trok spoedig een aantal geloofsgenooten herwaarts. Eerlang vormden zij een gemeente; hun eerste synagoge te Amsterdam is in 1598 gesticht. — Terzelfder tijd kwam uit Duitschland een andere natie van Joden over. Ook dezen werden toegelaten. Doch de diepe vernedering, waarin zij waren opgegroeid, had hen armer, onkundiger, slaafscher gemaakt dan hun broederen van het Zuiden. Daarom werden zij in den beginne nog minder geacht dan dezen, en nog minder begunstigd. Evenwel, vergeleken met hun vroeger lot, was ook hun tegenwoordige toestand gezegend en geschikt om telkens nieuwe scharen herwaarts te lokken.

Hoe smadelijk de ongelukkige Joden over gansch Europa behandeld werden, begrijpen wij eerst recht, als wij zien onder hoeveel minachting zij zich in Holland nog gelukkig rekenden. Wie met welwillendheid van hen spreekt acht zich als het ware verplicht, door eenige barsche woorden zijn zacht oordeel goed te maken: al wenscht hij hen menschelijk behandeld te zien, hij spreekt met afkeer van hen, als van gezworen vijanden des Heeren Jezus Christus. Wsselincx, de koopman van wien wij herhaaldelijk gewaagden, beschrijft hen als „ een trouwloos, bloedig volk, aller Christenen vijand, dat liever honderdduizend Christenen zou zien omkomen, dan honderd dukaten schade aan zijn goederen lijden" *). En wat hij uitsprak, dacht de groote meerderheid zijner tijdgenooten. Men mocht de Joden dulden, maar meer dan dulden kon men ze niet. Gelukkig dat het handelsbelang met het gevoel van mensche-

1) „Octrooi aan de Zuider Compagnie in Zweden."

Sluiten