Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk den geestelijken; reeds gedurende ons tijdvak beklagen zij zich, „dat zij van de Academie te Leiden meer schade in de kerken-dienst dan voordeel zien kunnen" !). Omgekeerd, meent de regeering reden te hebben om over de tegenwerking, die haar Universiteit van de kerkelijken ondervindt, te klagen 2). En nog erger gevolgen zou in een later tijdperk die bemoeiing der Staten met de vorming der kerkdienaars voortbrengen; aan hun Universiteit is de twist van Arminius en Gomarus uitgebarsten; hun aanstelling van Yorstius tot hoogleeraar heeft hen in eindelooze moeilijkheid gebracht. Maar wij willen niet vooruitloopen. Reeds nu bleek het in mindere mate, dat de Kerk de te haren behoeve, maar buiten haar invloed, gevormde leeraars met wantrouwen ontving.

Naar het voorbeeld van Holland richtten de Staten van Friesland in 1585, „niettegenstaande de hachelijke omstandigheden der tijden," een Hooge School te Franeker op, met het oogmerk, zooals zij zich in hun publicatie van 15 Juli 1585 uitdrukken, „om het vaderland te maken tot een kweekschool voor Gods Kerk en een zetel van kunsten en wetenschappen." Ook zij hielden de Kerk van allen rechtstreekschen invloed op de richting van het godgeleerde onderwijs verstoken, en benoemden eigenmachtig de hoogleeraren , van wier wetenschap en geloof het lot der Kerk grootendeels afhing.

De Leidsche Academie beantwoordde in den beginne niet aan de bedoeling, waarmee zij was opgericht. Voor de godgeleerdheid gesticht, werd zij maar schaars door theologanten bezocht. In de rechten kwamen genoeg aanzienlijke jongelingen studeeren, in het vooruitzicht op een voordeeligen post in lands- of stadsdienst; ook aan studenten in de geneeskunde was geen gebrek; maar van hen, die een geleerde opvoeding bekostigen konden, hadden slechts weinigen lust in het predikambt. De betrekking van leeraar toch was toen, en nog lang daarna, bij den deftigen burgerstand niet in eere 3). Zelden werd een zoon van goeden huize

wetenschappen in onser nieuwer Universiteit van Leyden ghestelt, ende sullen sorge draghen dat deselve, volgens de wetten hunluyden voorgheschreven, met de heilige Schrift suiverlyck uit te leggen, geleerde ende' waerdige Herders formeren." Art. 36 der Kerkel. wetten van 1576.

1) Bor, D, blz. 978.

2) Jan van Hout, bij Bor, III, blz. 647.

3) Grotius schrijft in 1639: „functio theologi, hominum vitio, minus honorata." Epist. 1214. Veel krasser laat zich omstreeks 1625 een oud-burgemeesler van Haarlem, Van

Sluiten