Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Kerk vertoonen, worden door merkwaardige mannen vertegenwoordigd. Dirck Volckertszen Coornhert en Marnix van St. Aldegonde sterven beiden binnen den tijdkring dien wij beschouwen ; wel behoort hun levensloop grootendeels tot een vroegeren tijd, maar als vertegenwoordigers van de partijen in de Kerk, en tevens als beoefenaars der Nederlandsche letterkunst, verdienen zij dat wij een woord aan hun nagedachtenis wijden.

Twee menschen in aanleg en karakter meer van elkander verschillend kunnen wij ons nauwelijks denken. De één een moedig, ernstig, streng edelman, die geleerd heeft in den strijd des levens niet op menschen-krachten, maar op Gods hulp te steunen, doch die dan ook, in het vaste geloof, dat God hem bijstaat, zich sterk gevoelt; een man van een vaste, lang beproefde overtuiging, bij wien nooit een zweem van twijfel opkomt, onverdraagzaam jegens andersdenkenden, zelfs overhellend tot ketter-vervolging, maar tevens bereid om zelf voor zijn geloof vervolging te lijden en zijn leven te geven. De ander, een burgerman, die met handenarbeid of met zijn pen den kost verdient; die het gevaar schuwt'), die geen martelaar zal worden, maar die ook niemand om het geloof wil gemarteld hebben; verdraagzaam voor die hem verdragen en tegen niets vooringenomen dan tegen een vervolgzieke rechtzinnigheid; welgemoed, met zichzelf voldaan, overtuigd, dat die het goede ernstig wil, het ook tot stand kan brengen. — Men behoeft beider portret maar aan te zien, om te begrijpen hoe weinig zij met elkander gemeen kunnen hebben: de gulle, open, breede tronie van Coornhert, zijn plompe, welgedane gestalte, en de achtbare houding en het koude, gesloten gelaat van Marnix. Slaat men hun boeken op, dan spreekt hun verschillend karakter nog duidelijker uit hun stijl. Bij Marnix wordt de hooge ernst slechts afgewisseld met snijdende ironie; zijn lach is een bespotting zijner tegenpartij, die hij als tegenstander van Gods heilige waarheid veracht, met wie hij niet kan redetwisten, maar wier redeneering hij als logen en dwaasheid ten toon moet stellen. In Coornhert daarentegen zien wij een liefhebber van disputeeren, een breedsprakig, uitvoerig twistschrijver, die alles wil beproeven en het goede behouden, die meer in het zoeken der waarheid dan in haar bezit zijn roem stelt.

1) De schrijver van het „Antwoord op de Justificatie van Leyden" verwijt aan Coornhert, wel niet zonder reden, dat hij in 1572 het vaderland als verloren had opgegeven, en voor zichzelf was gaan zorgen. „Door al te groote voorzichtigheid/* zegt hij, „vertrouwde Coornhert te min op de voorzienigheid Gods." Blz. 146.

Sluiten