Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heidelbergsclien catechismus, waaraan geen eind gekomen was, tegen een commissie van predikanten te hervatten. Op zijn sterfbed was hij bezig zijn derde vertoog tegen Lipsins over het ketterdooden te schrijven. Menige moeilijkheid heeft hij zich door zijn ijveren berokkend. Toen hij in 1588 uit Haarlem naar Delft verhuisde, om daar ambteloos ten huize van een goed vriend zijn laatste dagen aan het ordenen zijner menigvuldige aanteekeningen op den Bijbel te wijden, ontzegde de regeering der stad, wier predikanten hij aangetast en verbitterd had, hem het verblijf binnen haar muren. Met zijn boek tegen Lipsius aan de regeering van Leiden op te dragen dacht hij dank te behalen: hij oogstte niets dan ondank in, want de Leidsche overheid wilde Lipsius, het sieraad der Universiteit, niet vertoornen; zij wees openlijk de opdracht van de hand, en stelde Coornhert in het ongelijk. Maar tot zwijgen was de waarheidlievende man niet te brengen, hij hield vol, totdat de dood hem rust bracht.

Geheel anders eindigde Marnix zijn leven. Na het verlies van Antwerpen, waar hij het bevel had gevoerd, beticht en onverhoord veroordeeld en tot ambteloos leven gedoemd, trok hij zich waardiglijk terug, en ging op zijn heerlijkheid Westsouburg deletteroefeningen van zijn vroegere ballingschap hervatten. Wanneer hij later, nadat de eerste opgewondenheid bedaard is, door de Staten of Prins Maurits met eenige zending naar Engeland of Frankrijk wordt belast, aanvaardt hij die, zonder betoon van gekrenkt eergevoel. Ten laatste ziet hij zich door de hooge regeering een werk opgedragen, voor zijn talenten juist berekend en geheel naar den lust van zijn hart, het vertalen van den Bijbel uit den grondtekst in het Hollandsch. Aan dien arbeid bezig, sterft hij in 1598 1).

Ook hij had in zijn laatste levensjaar nog een pennestrijd te voeren; ook hij behandelde het vraagstuk, waarmee Coornhert zich stervend had bezig gehouden: wat de wereldlijke overheid behoort te doen om de ware leer tegen de ketterijen te beschermen. Maar Marnix raadde tot het vervolgen der ketters; Coornhert wilde alleen met de pen, niet met het zwaard de dwaling bestreden zien.

In de beantwoording van deze — helaas, in die eeuw zoo belangrijke — vraag, toont Coornhert zich een man van den nieuweren tijd; hij is, onbewust, doordrongen van de noodzakelijkheid om

1) Men vergelijke hiermee mijn „Herinnering aan Marnix van Sint Aldegonde" in de Gids van December 1898.

Sluiten