Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwant dan aan de ij veraars onder hen, die zij hun geloofsgenooten noemen. Tot de protestantsche behooren velen der regenten en staatslieden, die zich in een later tijdvak bij de remonstranten hebben aangesloten, Oldenbarnevelt in het bijzonder, wiens spreuk: „niets te weten geeft het zekerste geloof" als het kort begrip van alle libertijnsche geloofsbelijdenis mag gelden. Onder de katholieke noemen wij eershalve in de eerste plaats Elbertus Leoninus, den kanselier van Gelderland, in wien Marnix niets te berispen vond, dan dat hij te afkeerig van alle godgeleerdheid was 1). Doch nog meer dan Leoninus verdient de dichter Spieghel, van wien wij reeds gewaagden, als vertegenwoordiger van deze partij genoemd te worden. Hij is getrouw gebleven aan de moederkerk, maar even afkeerig van de inquisiteurs, als Oldenbarnevelt van de beeldstormers. Een zijner lievelingsschrijvers is Montaigne, de aartstwijfelaar, die geschreven had, dat wij Christenen zijn om dezelfde reden waarom wij Franschen of Duitschers zijn 2). Evenals deze haat hij de weetgierigheid der nieuwerwetsche theologen:

De weetzucht, als de eetzucht, quest u door onmaet,

Ziet hoe dat s'ons nu rolt en solt met ketterijen, 't Is weetzucht die nu godvrucht vinnigh leert partijen, En sluyt u uyt den hemel hier, ook mê hierna.

Gelukkig daarentegen de oude vervlogen tijd:

Ons kindsheids kerke-kinder-leer Die hield alleen van noden Het Yader-ons, 't Grheloof, niet meer,

Beendijst, en Tien gheboden.

1) Marnix schrijft aan Leoninus: „Nihil est in te quod non sit suavissimum, si hoe unum demas, quod nimium es atheologus." (Oeuvres de Marnix, Corresp. p. 245). — De geloofsbelijdenis vap deien en van alle libertijnen ligt in de volgende woorden opgesloten: „Ego siraplicem religionem amplectendam semper praedicavi, et etiam nunc praedico, prorsus divina et humani ingenii captura excedentia divinitati et secreto Dei et Angelorum iudicio relinquens, honorandam potius et admirandam divinitatem quam definiendam iudicavi." Zie van Cappelle, Elb. Leoninus, in Bijdr. tot de Gesch. d. Nederl., blz. 11*, 115.

2) „Nous sommes chrestiens, a mesine tiltre que nous sommes ou perigordins ou allemans." Essais L. II. ch. 12, p. 536. — Spieghel haalt dit zelfde hoofdstuk aan, blz. 254 (uitgaaf van Vlaming); zie verder blz. 129, v. 557. — De invloed der „Essais" van Montaigne is al vroeg groot geweest, ook bij ons. De schrijver van het „Antidote" toont dat hij ze goed kent, en Marnix kent ze ook, want hij beschuldigt zijn tegenpartij van allerlei sceptische opmerkingen nageschreven te hebben uit de geschriften van Michel de Montaigne. En toch is de eerste volledige editie der Essais eerst van 1588.

17

Sluiten