Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Grodes eenige en onvergezelschapte Hooge Majesteit en eenvoudig •enkel wezen" niet in het meervoud aan te spreken; Hij zag daarin laster en verloochening van Gods eenheid. Zoo was in dezen tijd de godsdienst aan geen onderwerp van 's menschen nadenken vreemd. Doch de poging van Marnix mislukte, ten nadeele, zoo ik meen, van ons taaleigen. De bijbelvertalers, in later tijd, moesten eveneens, na eenige aarzeling, het geliefde „du" en „ dijn" voorgóed verloren geven.

Minder dan in taal en stijl zijn de dichters van ons tijdvak in de dicht- of versbouwkunst bedreven. Eerst Hooft heeft deze uit Italië in Nederland ingeburgerd. Al te dikwerf zondigen Spieghel en Coornhert en Marnix zelfs tegen haar regels. Dat bederft ons het genot van hun gedichten; telkens stooten wij op onregelmatigheden, op een te onpas verlengde of verkorte lettergreep. Evenwel, vergeleken met de rijmelarij der rederijkers, verdienen ook in dit opzicht hun verzen geprezen te worden. En al doende leeren zij; tusschen hun vroegere en hun latere gedichten is het verschil aanmerkelijk. Coornhert's „Recht gebruyck ende misbruyck van tijtelijcke have" steekt bij zijn eerste gedichten gunstig af. Wat Marnix betreft, zijn psalmen zijn soms vloeiend en zonder gebreken.

En dan behagen zij ons zeer. Men behoeft ze niet naast de berijming van Datheen te stellen, om te zien hoe bevallig zij gedicht zijn; ook buiten alle vergelijking treft ons hun schoonheid. Het vroom gemoed van Marnix, zoo gelukkig met dat van den psalmdichter in overeenstemming, doet hem den juisten toon aanslaan. De klaagliederen vooral, zeker meest alle in verdrukking en benauwdheid overgezet, getuigen dat de dichter gevoelde, wat hij nazong; wij hooren de klachten van den Nederlandschen balling met die van den Hebreër ineensmelten. Het lot van Israël is het niet alleen, waarover de dichter verzucht:

Maer nu verstootstu ons heel wijt,

En laetst ons worden, Heer, tot schanden; Du trecktst met ons niet in den strijt,

Du helpst ons niet uyt 'svijants handen.

Och, Heere God! ontwaeck, 't is tijt, Hoe blijfstu slapen doch so lange? Waeckt op, verstoot ons niet so wijt In eeuwicheyt, want ons is bange.

Sluiten