Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat geeft aan de psalmen van Mamix voor ons Nederlanders znlk eene bijzondere waarde, het diep gevoel, dat den dichter bezielt, van de overeenkomst tusschen Israëls ellende en verlossing en de uitredding van Nederland uit de Spaansche diensthuizen. In zijn voorrede voor het „Boeck der H. Schriftuerlycke Lofsangen een aanhangsel van zijn boek der psalmen, wijst hij opzettelijk op die gelijkheid van de weldaden, door God aan Israël en aan Nederland bewezen:

Dies hy oock nu de selve wercken doet.

Gelijck 't wel blijckt aen 't geen hij heeft begonnen,

Daer hij onlancxs des Pharohs vreeslyck heyr Heeft sonder stock geer heerlyck overwonnen, End omgestort int diepste van het meyr.

Hij heeft ons oock een Deborah verwecket,

De Coningin, die aen de Britsche kust Sijn heylge kerck als met haer vleugelen decket. End Godes volck beschermt in vreed en rust.

En heeft hij niet nu tot de Fransche kroone Seer wonderlyck geroepen eene heldt,

Verjaegt, verbant: dien hij op Saul's throone Met eygen hand, als David, heeft gestelt?

Geeft hij ons niet alhier, in Davids stede,

Den Salomon, die sijnen tempel sticht In sijne jeugt? End Ezechias mede,

Die tot Gods dienst sijn leven encklyk richt?

Wij kunnen Marnix's psalmen niet lezen zonder het Nederland van zijn tijd, evengoed als het oude Israël, voor onze oogen te zien verrijzen, en dit kenmerkt zijn overzetting onder alle latere. Als hij van Israëls zegepralen de eer alleen aan Jehova geeft:

Dus heeft's haer eygen erm end kracht Noyt uyt des vyandts noot gebracht;

Maer dijne handt end erm seer sterck End dijnes aanschijns heylsaem claerheyt Heeft hun geholpen; 't was dijn werck,

Mits du se lief hadst in der waerheyt,

Sluiten