Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beveiligd '), en sinds menschengeheugenis door geen vijand verontrust, was opgevuld met schepen: juist lag er een koopvaardijvloot zeilree naar West-Indië, rijk bevracht met wijn, olie, zijden stoffen en allerlei kostelijke waren, ten bedrage van wel elf millioen dukaten. Een uitlokkende buit voor de roofzieke Engelschen. Maar, als om haar te beschermen, lag daar naast een oorlogsvloot van twintig groote schepen, waaronder drie geweldige galjoenen en het ontzaglijkste van alle, de S. Phelippo, het grootste schip misschien, dat op dien tijd bestond, althans het grootste dat de Spaansche marine bezat, van wel 1000 last, met 1200 man aan boord, en met 82 metalen stukken gewapend 2). Doch ook hier zou weer blijken, dat de grootte der schepen den strijd niet beslist. Zonder aarzelen tastte de Engelsch-Hollandsche vloot den overmachtigen vijand aan.

De lichtere Spaansche vaartuigen, die den mond van de baai bezetten, verdedigden dien een oogenblik tegen den eersten aanval der verbondenen, maar niet moedig, met geen zelfvertrouwen; wakker aangegrepen, zochten zij weldra bij de galjoenen en onder het geschut der forten een wijkplaats. De Engelschen volgden hen onverschrokken binnen de baai, en openden hun vuur op de logge galjoenen en den S. Phelippo, die het niet beter uithielden noch beantwoordden dan de lichtere schepen; na een gevecht van weinige uren waren zij alle genomen of verbrand. Daarmee was de zeestrijd geëindigd. Even voorspoedig landden de troepen, met Vere en Lodewijk Gunther aan het hoofd, en veroverden, na een ongeregeld en kort gevecht met de Spaansche soldaten, de forten, de stad en het kasteel. Op de veroverde veste plantten de geuzen hun vanen; de kleuren van den vermoorden Oranje wapperden over de eerste der Spaansche krijgshavens 3). De koopvaardijvloot,

1) Een goede kaart van Cadix en zijn omstreken is te vinden in het kaartenboek van Ortelius. Met behulp daarvan kunnen wij de bewegingen der Engelsch-Hollandsche vloot gemakkelijk nagaan en begrijpen.

2) De opgaven verschillen : Khevenhiller, IV, S. 1679, zegt 1500 last; het geuzenlied, bij Van Vloten, Geschied zangen, II, blz. 333, gewaagt van „seven hondert man."

3) „. . . . und liesz der Hollandish Admiral sein Fandel aufstecken, dasz in der Statt grossen Schrecken verursacht," zegt Khevenhiller. „Wij planten, t'onser baten: Oraenge, Blanche, Blou," zingt het flinke geuzenlied. — Dat de Nederlandsche driekleur oorspronkelijk de livrei van Oranje geweest is, heeft De Jonge voor jaren voldingend bewezen, al wordt het tegenwoordig door sommigen weer betwijfeld. Voor zijn gevoelen zijn nog andere bewijzen, dan die hij bijbrengt, aan te voeren: reeds in het eerste jaar onzer vrijheid, in 1572, toen Heer Adriaan van Swieten de stad Gouda voor den Prins kwam bezetten, riep zijn volk „met luyder stemme: Vive le prince d'Orangien, vertoonende

Sluiten