Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er veeleer een strafwaardig misbruik in, dat de geldhandelaars van de tijdelijke verlegenheid des Konings maakten !). En daarom meende zij recht te hebben om zich, door een eenvondig koninklijk besluit, van de aangegane verplichting te ontslaan, en eigendunkelijk de rente te verlagen, naarmate zij billijk keurde. Zulk een besluit werd thans, in 1596, afgekondigd: elk toegewezen onderpand werd ten bate van de schatkist teruggenomen; een onbepaald vooruitzicht op afbetaling der schulden en op een zeer lage rente was al de troost die den schuldeischer gegeven werd. Het was de tweede keer, dat Philips tot zulk een bankroet zijn toevlucht nam. In 1B75 had hij eveneens zijn woord aan zijn schuldeischers gebroken; de ervaring, toen opgedaan, had hem moeten leeren, dat hij door zijn oneerlijkheid zichzelf nog meer dan de geldschieters benadeelde. De muiterij van de troepen van Requesens was het gevolg van dien heilloozen maatregel geweest, en had den algemeenen afval der Nederlanden en de pacificatie van Gent ten gevolge gehad. Ongelukkig was hij die harde les weer vergeten. Tot zijn schande moest hij opnieuw ondervinden, dat eerlijkheid de beste staatkunde is. Natuurlijk vond hij, zoodra zijn trouweloos besluit bekend was geworden, bij niemand meer krediet. In Italië voorzagen de financiers terstond, dat de Koning zich voortaan het gemak der wisselbrieven zou moeten ontzeggen, en in specie de noodige geldsommen naar Nederland overmaken 2). En dit bezwaar had nog weinig te beduiden, vergeleken met den weerzin dien Spanje door zijn kwade trouw niet alleen aan de kooplieden, maar aan de geheele klasse der renteniers, die hun spaarpenningen aan de bankiers hadden toevertrouwd, en nu met dezen schade leden, tegen zich inboezemde. Geen der Spaansche ministers wilde dan ook de verantwoordelijkheid van het noodlottige besluit op zich nemen. Christophore de Moura inzonderheid gaf openlijk te kennen, dat het zonder zijn voorkennis genomen was, en dat hij het ten sterkste afkeurde. De Koning zelf begreep weldra hoezeer hij zich benadeeld had: een jaar later moest hij op zijn besluit terugkomen, de geldschieters, die hij, om zijn onrecht te vergoelijken, van oneerlijke inhaligheid beticht had, in hun eer herstellen, en hun nieuwe waarborgen geven, voordat hij een nieuwe leening, die hij dringend behoefde, van hen kon verwerven. Maar intusschen ondervond Albrecht in de Nederlanden

1) Zeer juist daarentegen beoordeelt Van Meteren het geval, B. XVIII. f. 375b.

2) Lett. du Cardl. d'Ossat. II, p. 312.

É

Sluiten