Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar zocht. Terwijl de Spaansche en Fransche vredehandelaars te Vervins, een kleine Fransche stad nabij de Nederlandsche grenzen, bijeen kwamen, en onder bemiddeling van den pauselijken legaat en in tegenwoordigheid van den generaal der Cordeliers, de onderhandelingen aanvingen, had de regeering van Albrecht een geacht koopman, die nit Antwerpen naar Leiden was uitgeweken, Daniël van der Meulen, onder voorwendsel van familie-aangelegenheden naar Brussel ontboden, en hem over de mogelijkheid van een bevrediging der afvallige gewesten gepolst '). Zij bracht hem het gevaar onder het oog, dat de Yereenigde Provinciën loopen zouden, als Frankrijk haar verlaten ging. Maar terzelfder tijd deed zij het bij de Fransche gemachtigden te Vervins voorkomen, alsof de Staten uit eigen beweging Van der Meulen tot haar gezonden hadden, om haar den vredehandel met Frankrijk af te raden, en zelf met haar in onderhandeling te treden 2). Die dubbelhartigheid was echter noodeloos. Hendrik IV had geen aansporing noodig; zijn besluit om vrede te maken stond vast; en de Staten waren met zoo plomp bedrog niet te misleiden. Van der Meulen luisterde wel naar wat hem gezegd werd, maar gaf geen hoop op bevrediging. Integendeel, uit zijn gesprekken met de bewindslieden te Brussel bleek overtuigend, dat elke vrede, waarbij zich de Noordelijke gewesten weer onder de gehoorzaamheid der katholieke regeering, die zij hadden afgezworen, begeven moesten, op bijna onoverkomelijke moeilijkheden zou afspringen. De sluwe Richardot, en Havré, die, als oom van den jongen hertog van Aerschot en als oudste lid van den Raad van State, den Nederlandschen adel vertegenwoordigde, verzekerden hem wel, dat zij te Brussel de Spanjaarden even moede waren als men het in Den Haag kon wezen; dat de Aartshertogen tevreden zouden zijn met een bloote erkenning hunner oppermacht, en dat zij alles ia de Noordelijke gewesten zouden laten blijven zooals het was, de Nassaus en de Staten aan de regeering, de steden bij haar privilegiën, de bevolking bij haar gewetensvrijheid en vrije godsdienstoefening. Maar Van der Meulen liet zich met zulke algemeene verzekeringen niet paaien. Wat, vroeg hij, zal er worden van de ballingen uit Vlaanderen en Brabant, die nu in Holland wonen, en daar aan de regeering deelnemen? zal men hen in hun vaderland en in hun

1) Reyd, blz. 340. — Het belangrijke verbaal van Van der Meulen berust op het Rijks-Archief. Daaruit is het volgende ontleend. Zie over hem en zijn geslacht De Navorscher van 1878, blz. 580.

2) Mém. de Bellièvre, p. 51, 89, 138.

21

Sluiten