Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichaamslijden, wat is smartelijker dan te sterven in de overtuiging dat het doel, waarvoor wij geleefd hebben, gemist is, dat de zaak, waaraan wij al onze krachten gewijd hadden, niet tot stand is gekomen? De Koning liet zijn rijken verzwakt en in verval achter; zijn regeering, die met den roemrijken vrede van CateauCambresis was aangevangen, werd besloten met het vernederende verdrag van Vervins; de Nederlanden, die hem zijn vader in bloeienden staat had overgedragen, had hij van de monarchie moeten afscheiden, om ze niet geheel verloren te laten gaan *); de ketterij, die hij meer dan de ondeugd verfoeide, die hij met alle kracht bestreden had, zat zegepralend in de bloeiendste zijner erflanden op den troon, en hield de heilige Kerk onder den voet. De grootsche toekomst, die hij voor zijn dochter beoogd had, was verdwenen. Zijn opvolger, zijn zoon, heulde reeds met andere raadslieden aan wien hij zijn vertrouwen geschonken had. De taak, die hij onvoltooid achterliet, zou niet worden voortgezet. — Maar, wat te midden van zooveel lijden naar lichaam en ziel den stervende troosten en bemoedigen moest, hij had zijn hart niet onverdeeld aan het aardsche gehecht; hij had geleefd en gewerkt voor iets hoogers dan wereldsch gewin en wereldsch genot; hij had een God gediend — al is de God, dien hij niet zijn booze lusten en driften, maar het geluk en het leven van medemenschen ten offer bracht, in ons oog niet veel heiliger dan de afgod, dien de heidenen met menschenoffers en misdaden eeren. Toch is het den stervende beter voor zulk een afgod geleefd te hebben dan alleen voor zichzelf. En de God van Philips, wij zeggen het tot zijn verschooning, was het heiligste dat hem was voorgesteld en dat hij zich denken kon, het verhevenste en grootste dat zijn laag, bekrompen gemoed kon bevatten.

Zijn sterven verbrak den laatsten band, die de Vereenigde gewesten nog aan Spanje verbonden had gehouden. Aan hem hadden de Nederlanders eens den huldigingseed gedaan: menig gemoedelijk man was nog niet overtuigd, dat zulk een eed, om welke reden dan ook, door de onderdanen mocht worden opgezegd. Maar aan zijn opvolger hadden zij geen onderdanigheid gezworen, zij waren jegens hem tot niets verplicht. Nog minder aan Albrecht en Isabella, aan wie de gewesten, zonder hun voorweten of be-

1) Buzanval achtte het behoud der Nederlanden op elke andere wijs onmogelijk: Corresp. p. 140. Gelijke getuigenis van Tassis haalden wij reeds vroeger aan. Over den toestand van België op dit tijdstip vergelijke men nog den brief van Aerssens, bij Bor, IV, blz. 439.

Sluiten