Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

williging, als slaven door den meester, waren weggeschonken '). Met die nieuw opgeworpen landsheeren konden zij niet anders handelen dan vroeger met Anjbu, als met vreemde vorsten, die niets van hen te vorderen hadden 2).

Ook kon de gang der zaken in de zuidelijke gewesten geen lust tot onderwerping aan het gezag der Aartshertogen inboezemen. Al meer en meer bleek het, dat daar onder de eigene vorsten de regeering toch niet nationaler geworden was. De Aartshertogen, die het Spaansche geld niet missen konden, moesten zich wel naar de Spaansche staatkunde voegen; Spaansche soldaten bezetten nog steeds de vestingen van Nederland; Spaansche staatslieden voerden er nog altijd het bewind. De ontevredenheid onder de Belgen getuigde voortdurend, hoe weinig de nieuwe toestand aan de verwachting, die men er van gekoesterd had, beantwoordde 3). De grooten des lands hadden steeds evenveel reden als voorheen om zich aan het overwicht van vreemdelingen in het bestuur te ergeren 4). Een opstand des volks tegen de regeering werd steeds als nabij voorzien s). Hoe zouden dan de Staten eraan hebben kunnen denken zich vrijwillig onder zulk een regeering te begeven ?

Maar al waren zij niet bereid het hoofd te buigen onder het juk van een vreemden roomschen vorst, daarom waren zij toch nog niet zoo republikeinschgezind, dat zij den monarchalen regeeringsvorm voor onbestaanbaar met de vrijheid hielden. Zulk een valsch denkbeeld van de burgervrijheid is eerst later in Holland opgekomen. In dezen tijd verklaren nog de Staten-Generaal aan Elisabeth, „wel te weten, dat de vrijheid der onderdanen in het eene gouvernement niet meer dan in het andere bestaat, en dat die dierbare vrijheid inderdaad ook door hen wordt genoten, die onder een vorst in goede justitie naar hun rechten en privilegiën geregeerd worden" 6). En moesten de Staten erkennen

1) Grotius, De jure praedae, p. 281. Tassis, 1. VIII, c. 49, p. 598. Buzanval, p. 202.

2) Buzanval, p. 325: „ . . . . que, quand ils seroient réduits i ces termes de vouloir traiter, ils ne le pourroient aucunement faire avec les Archiducs, sinon comme avec princes étrangers, comme ils avoient autresfois fait avec M. le Duc d Anjou.

3) Zie Reyd, blz. 315.

4) Zie de klachten van Aerschot, in zyn „Mémoires autographes' (publiés par M. de Reiffenberg), p. 71, en vooral in den Mém. justificatif van Aerssens, achter de Corresp. -de Buzanval, p. 393 suiv.

5) Buzanval, p. 31, 68 en elders. Winwood-Papers, I, p. 383.

6) Instructie voor de gezanten naar Elisabeth, 13 Januari 1598. — Zeer juist merkt Wsselincx op (Naerder Bedenckinghen enz.): „want de Landtsheeren haren graet houdende, de Staten van den Lande in den haren latende, ende dat de Ghemeynte alsoo

Sluiten