Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet waarschijnlijk, dat hij dit juist nu gewild heeft, nu hij er namens Hendrik IV de Staten van sprak? Kort daarop is de tocht tegen Duinkerken gevolgd, die het eerst tweedracht gesticht, en tot steeds verdere vervreemding geleid heeft'). Niettegenstaande zijn onmiskenbare liefde voor het vaderland, was de advokaat niet onbaatzuchtig genoeg om, toen Maurits zich eens van hem had afgewend, nog langer diens verhooging te willen.

Ook mogen wij niet voorbij zien, dat Oldenbarnevelt, volgens het verhaal van Uytenbogaert, niets meer bedoeld had dan met Maurits te handelen, gelijk met zijn vader gehandeld was: hem dus graaf had willen maken van Holland en Zeeland, waarschijnlijk zelfs landheer van al de gewesten, maar zeker op dezelfde beperkende voorwaarden, waarop Prins Willem, zoo hij was blijven leven, de souvereiniteit zou aanvaard hebben '). Doch wij weten, aan den anderen kant, dat Maurits zich zulke voorwaarden niet licht zou hebben laten welgevallen. Hoewel zijn inschikkelijke, volksgezinde vader ze niet onaannemelijk had geacht, kon hij er niet aan denken zonder ergernis en gramschap. Eens was hij in gesprek daarover met den Franschen gezant, Buzanval, heftig uitgevaren: liever dan op zulken voet graaf te worden, wilde hij zich van den Haagschen toren te pletter werpen 3). Misschien is de begeerte van Maurits met zijn voorspoed gestegen, en zou hij zich nu nog wel vergenoegd hebben met hetgeen zijn vader genoegzaam had gerekend. Maar, zoo hij inderdaad naar onbeperkter macht haakte, kunnen wij licht begrijpen dat de advokaat hem hierin niet te wille was. Het was zijn plicht niet minder dan zijn belang te waken, dat geen alleenheersching, van wien ook, zich in het vrijgevochten land ging vestigen. Stond Maurits naar een heerschappij, als die Hendrik IV in Frankrijk op de Liguisten veroverd had, dan kunnen wij den advokaat niet genoeg danken, dat hij, door hem te weerstaan, de kiem heeft gesmoord, waaruit voor ons dezelfde staatsgebreken zouden geboren zijn, die Frankrijk tot zijn bloedige revolutie gedreven hebben. — Bovendien, toen Oldenbarnevelt nog voor de verheffing van den Prins gestemd was, was Franken volgens zijn eigen getuigenis er tegen, en met hem zeker vele anderen. Men moest zich dus op hevigen

•1) Ik deel in dit opzicht in het gevoelen van Van Wijn, t. a. p., bevestigd door de correspondentie van Buzanval; zie II, p. 266 en de aanteekening van den uitgever.

2) Hetzelfde had Oldenbarnevelt reeds in 1584, onmiddellijk na den dood van Prins Willem, raadzaam geacht: *ie zijn eigen getuigenis. Verhooren, blz. 109.

3) Verhooren van Oldenbarnevelt, blz, 224.

Sluiten