Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Middcllandsche Zee, Spanje, Portugal, Frankrijk en Engeland getrokken, waren betaalbaar in bankgeld, terwijl hetzelfde plaats had omtrent een aanmerkeljjk gedeelte van den Duitschen, Oostzeeschen en Noordschen wissel"').

„Wanneer men nu nagaat, dat een wissel zelden langer dan twee maanden liep en de provisie een half percent bedroeg, dan komt men voor een bedrag van twee honderd inillioen, dat een geheel jaar in omloop bleef, tot een winst van zes niillioen gulden" ').

En het bedrag van 200 millioen „is een zeer matige berekening voor dien tijd, waarin de handel zoo bloeiend was"').

De haringvangst was na den vrede van Utrecht geknakt door de lange reeks van oorlogen, gedurende welke de visscherjj herhaaldelijk jaren achtereen volkomen stilstand, of wel, slechts uitgeoefend werd onder bescherming van een kostbaar convooi, dat toch niet altijd in staat was, zware verliezen te verhoeden.

De verloren markten te herwinnen na den vrede was onmogelijk door de belemmerende voorschriften van den wetgever, die onbegrijpelijk kortzichtig was. De mededinging, vooral van Engelschen en Schotten, nam allengs reusachtige afmetingen aan en wel motst dat het geval zijn, als men in aanmerking neemt, dat in 1736 de regeering der Oostenrjjksche Nederlanden overwoog, de Nieuwpoortsche visscherij krachtiger te steunen, daar de aanvoer van Hollandsche haring niet voldoende was, om in de behoefte der Rooinsche bevolking te voorzien.

Zoo diep was door den oorlog en den protectiegeest der regenten het bedrijf gezonken, en dat nog wel na een twintigjarig tijdperk van vrede, waarin er gelegenheid geweest was, het verloren terrein te herwinnen.

Zelfs toen er premiën van 500 gulden voor iedere haringbuis uitgeloofd werden, nam het aantal dier vaartuigen zoo weinig toe, dat het cijfer van 200 niet bereikt werd.

De walvischvangst schijnt in de 18e eeuw meestal verlies te

') Zie noot 5 vorige blz.

s) Luzac, Hollands rijkdom, deel IV, pag. 113 en 114.

3) Van den Bogaerde van Terbrugge, Proeve over de belangrijkheid van den handel, de scheepvaart en de nijverheid, deel I, pag. 311.

Sluiten