Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Nederlandsche Bank en de geldhandel.

Overeenkomstig de beginselen der grondwet van 1848 was het niet langer de koning, niaar de wetgever, die over de toekomst der Nederlandsche Bank te beslissen had, toen in 1864 het tweede octrooi ten einde liep.

In 1852 was nog bij K. B. op verzoek van President, Directeuren en Commissarissen toegestaan, ten eerste: uitbreiding van haar bevoegdheid, om beleeningen te sluiten op alle buitenlandsche staatsobligatiën zonder onderscheid, en ten tweede, openbaarmaking van haar operatiën. Bovendien werd ze verplicht, den len van elke maand in de Staatscourant opgave te doen van de biljetten, de saldo's en den voorraad munt en muntmateriaal.

Er is destijds een bankquaestie ontstaan; met nadruk en talent is aangedrongen op de niet hernieuwing van liet monopolie der Ned. Bank, o. a. door mr. N G.Pierson. Volgens hem moest aan ieder, behoudens zekere door de wet te stellen voorwaarden, de uitgifte van biljetten toegestaan worden.

Door degenen, die van een tegenovergestelde meening waren, werd beweerd, dat weinigen de soliditeit van een bank konden beoordeelen, het allerminst kleine burgers en boeren, zoodat liet stelsel van centralisatie voordeelen aanbood, die het bedenkelijk zou zijn, buiten volstrekte noodzakelijkheid prijs te geven.

De minister Betz, van oordeel, dat een bankbiljet een munt was, die naast de rijksmunt moest gesteld worden, wilde eenheid van circulatie, wijl in dat geval de Staat kan zorgen voor een behoorlijke uitgifte van biljetten. De wet van 22 Dec 1863 verklaarde de Ned. Bank gerechtigd, gedurende 25 jaar als circulatiebank werkzaam te zjjn, onder voorbehoud, dat hetzelfde recht aan andere vennootschappen door de wet zou kunnen worden toegestaan.

In elke provincie moest ten minste één agentschap gevestigd worden en voorts correspondentschappen naar de bestaande behoeften. „De stelsels van eenheid en veelheid van banken staan niet tegenover elkander als licht en schaduw of als schaduw en licht; zoowel aan het eene als aan het andere zijn voordeelen en nadeelen verbonden en of de eerste dan

Sluiten