Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel de tweede overwegend zijn te achten, hangt af van omstandigheden", was in 1884 de meening van mr. Pierson1).

Sedert 1864 is het opereerend kapitaal der Bank voortdurend grooter geworden, en nam het aantal der bankbiljetten steeds toe.

Yeel hebben de agentschappen daartoe bijdragen. Ze hebben de Bank meer in alle deelen des lands bekend gemaakt, en daardoor het algemeen vertrouwen in die instelling versterkt, maar vooral heeft daartoe ook bjjgedragen de groote omvang, dien de fondsen- en goederenhandel genomen heeft.

De handel in edele metalen is sedert 1847 een niet onbelangrjjke branche geweest der Nederlandsche Bank. Zooals de Engelsche Bank voor het goud, dat uit alle deelen der wereld samenvloeit, was zij tot 1872 de verzamelplaats van het zilver.

Het vermogen in portefeuille is tusschen de jaren 1850 en 1870 hier te lande ontzaglijk vermeerderd, zoodat een sterke daling der fondsen, zooals die in 1866 heeft plaats gehad, aan de houders millioenen heeft gekost.

Toch schrikt zulk een verlies niet af; vooral was dat niet het geval in die dagen, toen de rente zeer hoog was. De Vereenigde Staten boden 6 è, 7 pet. rente, Rusland 5'/- a 6, zoodat Nederland in 1869 een fiasco leed, toen het de Nederlandsch-Indische 4'/. pct's spoorwegleening tegen 93'/4 pet. wilde plaatsen.

De Nederlanders zelf begeerden hooge rente, zoodat ze, in tegenstelling met andere volken, hun nationale fondsen niet steunden. Te Parjjs, te Londen, ja, overal namen de nationale fondsen destijds reeds een overwegende plaats in; de Amsterdamsche beurs maakte daarop een uitzondering, waardoor ook in Engeland een zeker wantrouwen in onze soliditeit ontstond.

Assurantiën.

Voor het assurantiewezen was het tijdperk van 1850—1870 niet zeer voorspoedig. Opgekomen, althans grootendeels, uit het consignatiestelsel, was het bedrag der betaalde premiën

') Leerboek der Staathuishoudkunde, le druk pag. 44r>.

Sluiten