Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Yi sscherij en .

Langzamerhand drongen juistere economische begrippen door bij het volk, zoowel als bij zijn bestuurders en, voorgelicht door deskundigen, werd het denkbeeld algemeen, dat het dwaas was, een tak van nijverheid financieel te steunen en hem te geljjk de gelegenheid te benemen, zich zelf te ontwikkelen.

Vooral in 1842 ging over het geheele onderwerp veellicht op. Toen verhoogde België het inkomend recht op visch, ten gevolge waarvan de reeders nog meer bescherming eischten, dan zjj genoten.

Intusschen was algemeen bekend geworden, dat juist bjj de „beschermde" visscherijen de kwjjning het grootst was, zoodat de jniblieke opinie zich meer en meer verklaarde voor volledige vrijheid.

In 1846 werd een eerste bres geschoten in de wet van 1818 door de bepaling, dat reeds den 10en Juni, in plaats van den 24en, de haringvisschers mochten uitloopen.

In 1851 werden de premiën met verminderd, onder uitdrukkelijke vermelding, dat geheele afschaffing het doel was. Natuurlijk ontstond er een heftige oppositie hiertegen bij de belanghebbenden, en terecht, daar wel de premiën verminderd werden, maar de tallooze beperkingen bleven.

Tot het verleenen eener volledige vrijheid durfde de regeegeering eerst voorstellen doen na een rapport van een Staatscommissie, wier secretaris mr. J. T. Buys was.

In 1857 kwam een nieuwe wet tot stand, waarbjj slechts de facultatieve keur behouden werd.

Een gering invoerrecht werd geheven van visch, maar slechts twee jaar daarna werd ook dat afgeschaft.

Een nieuw leven was het rechtstreeksch gevolg van de in 1857 verleende vrijheid. Groote verbeteringen werden ingevoerd, de vroeger streng gescheiden pekel- en steurharingvisscherij vermengd; in 1878 de facultatieve keuring afgeschaft, zoodat de visscherij een geheel vrij en zelfstandig bedrjjf is geworden, dat een toenemenden bloei geniet.

Tentoonstellingen.

Hebben we vroeger reeds gesproken van tentoonstellingen,

Sluiten