Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de wet van 6 Sept. 1895 en van kracht verklaard met ingang van 1 Sept. 1896.

„De wet gaat uit van de grondstelling, dat het faillissement is een gerechtelijk beslag op het geheele vermogen van den schuldenaar, ten behoeve van zjjn gezamenlijke schuldeischers" ').

Het faillissement betreft dus alleen de goederen, niet den persoon van den schuldenaar; het doet geen eigendomsovergang plaats hebben, en eindigt met de realisatie van het vermogen, ook van dat deel, hetwelk de schuldenaar gedurende het faillissement verworven heeft. Alleen een zekere som, noodig tot levensonderhoud van den gefailleerde en zijn gezin en waarvan het bedrag door den rechter vastgesteld wordt, maakt hierop een uitzondering.

De bepaling, dat zoowel kooplieden als niet-kooplieden, in overeenstemming met het oud-vaderlaudsche recht, in staat van faillissement kunnen verklaard worden, vond veel tegenstand , hoewel het denkbeeld sedert jaren buiten en in ons land veld had gewonnen.

In de Tweede Kamer werd het ontwerp aangenomen met 56 tegen 12, in de Eerste met 30 tegen 14 stemmen.

Ons Muntstelsel.

In 1847 was ons muntstelsel op een uitstekende wijze geregeld, doch door onvoorziene omstandigheden voldeed het niet meer, toen verscheidene Staten den gouden standaard invoerden, het zilver door een sterk toenemende productie in waarde verminderde, terwijl bovendien de zilvervraag van Britsch-lndië belangrijk afnam.

Overeenkomstig het advies eener staatscommissie, in October 1872 benoemd, deed de Regeering het voorstel, over te gaan tot invoering van den gouden standaard met ontmunting van het zilver.

Met kleine meerderheid werd dit voorstel den 2en Maart 1874 door de Tweede Kamer verworpen, ook om den band met Indië, tot zoo hoogen prijs verkregen, niet los te maken.

De llegeering had reeds in Mei 1873 machtiging bekomen,

l) Mr. J. D. Veegens, Inl. pag. 4.

Sluiten