Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om de Munt tot 1 November van dat jaar voor het zilver te sluiten, welke termijn later verlengd werd tot 1 Mei 1874.

Na de verwerping der bovengenoemde regeeringsvoorstellen, meende de minister, dat er geen termen aanwezig waren, om opnieuw machtiging tot schorsing te vragen.

Van de aldus aangeboden gelegenheid werd gebruik gemaakt door de Ned. Bank, om een bedrag van f 25 millioen te doen aanmunten. Ze had hierop recht, wijl ze onder de' vroegere wetgeving zilver tot een vastgestelden prijs had moeten aankoopen en ze hierop een groot verlies zou geleden hebben, wanneer haar die gelegenheid niet aangeboden was.

Verder werd nog ƒ 7 millioen geslagen voor rekening van particulieren. Ongetwijfeld zou dat bedrag aanzienlijk geklommen zijn, indien niet den 3e» Dec. de Munt opnieuw voor het zilver gesloten ware.

Herhaaldelijk werd de termijn van sluiting verlengd en eindelijk is den 9en Dec. 1877 „de bevoegdheid tot aanmunting van zilveren standaardpenningen, anders dan voor rekening van den Staat, geschorst, totdat daaromtrent nader bij de wet zal zijn voorzien."

Het zilver was dus sedert liet sluiten der Munt voor dat metaal teekengeld geworden, en den gouden standaard hadden we nog niet aangenomen.

Om aan dezen onhoudbaren toestand een einde te maken, is in 1875 besloten, het gouden tienguldenstuk weer in te voeren, terwijl den 27en April 1884 de Regeering gemachtigd werd, om, zoo noodig, een bedrag van f25 millioen aan zilvergeld te ontmunten en te verkoopen. Op het oogenblik bezitten we dus den „hinkenden" standaard, en wat er ook voor den enkelen gouden standaard pleite, zooals de zakeii nu staan, zou de invoering daarvan van ons land opofferingen eischen, die zjjn krachten te boven gaan, en die zeker niet vergoed zouden worden door de voordeelen van het nieuwe stelsel.

Sluiten