Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 21. . , ,

Afschrift.

Ministerie van Koloniën.

's-Gravenhage, den 4 April 1855.

Lett. A No. 14.

De Minister van Koloniën, Gelezen hebbende een rekest van den Oost-Indischen ambtenaar E. Douwes Dekker, laatst adsistent resident, tevens magistraat te Amboina, thans zonder verlof hier te lande aanwezig, dd. 's-Hage 25 Maart 1855, daar bij onder aanvoering der gronden waarop berustte, zijn bij dispositie van den 24 Maart jl. No. 11 afgewezen verzoek om een voorschot van ƒ 2000 ter bestrijding der kosten van zijnen terugkeer naar Indië; andermaal verzoekende, dat hem dat voorschot worde verleend en tot dat einde, op nieuw aanbiedende de acte van borgstelling, hem bij de aangehaalde beschikking teruggezonden, benevens een geneeskundig certificaat, betreffende zijn kind. 3

Heeft goedgevonden;

aan den adressant, onder terugzending der bijlagen van zijn boven omschreven adres, bij extract dezer nogmaals te kennen te geven, dat in zijn verzoek niet kan worden getreden.

De Minister van Koloniën, (w. g.) Pahud.

Aan den Heer E. Douwes Dekker,

O. I. ambtenaar zonder verlof te 's-Gravenhage.

No. 22. — „ , , .,

Afschrift.

's-Gravenhage, 6 April 1855.

Ik heb de eer Uwer Excellentie bij dezen medetedeelen dat ik

op gisteren bij de Heeren A. van Hoboken en Zn. te Rotterdam

passage naar Indië heb genomen met schip „India", gezagvoerder

Rijken zijnde het eerste vaartuig dier firma dat derwaarts vertrekken zal;

Tot mijn leedwezen zal dat vertrek evenwel eerst plaats vinden m het begin der volgende maand doch daar ik door mijne tegen-

Sluiten