Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden als een gewoon belastingsbesluit, en bij brief van den Directeur van financiën van 31 October 1855 no. 7740, werd aan Douwes Dekker gevraagd, of hij daartegen ook bedenkingen had in te brengen.

De ambtenaar Douwes Dekker heeft nimmer hierop geantwoord.

De algemeene rekenkamer herinnerde den Directeur van financiën aan haar voormeld verzoek, bij missive van 25 Julij 1856 no. 2663/82.

Bij de besluiten van de Algemeene Rekenkamer van 23 October 1855 no- 94- 26 October 1855 no. 118, 21 December 1855 no. 114 en 4 Januarij 1856 no. 132 werd de ambtenaar Douwes Dekker belast respectievelijk met de sommen vajn ƒ 8,36/120 ƒ 574.40/120 ƒ 520,80/120 en ƒ 43.

Fen aanzien van deze belastingen werd hij mogelijk aangesproken bij de brieven van den Directeur van financiën van 31 October 1855 no. 7739, 7 November 1855 no. 7904, 11 Januarij 1856 no. 252, en 26 Januarij 1856 no. 666, welke echter evenzeer zonder antwoord bleven.

De voldoening van deze vier belastingen, gezamenlijk bedragende ƒ 1146,36/120, werd bevolen bij Gouvernements besluiten van 18 Augustus 1856 no. 29, en 28 November 1856 no. 63.

Inmiddels was de Heer Douwes Dekker uit 's lands dienst ontslagen, bij besluit van 4 april 1856 no. 4.

Bij brief van de Algemeene Rekenkamer van 2 December 1856 no. 4529/65 werd de Directeur van financiën uitgenoodigd mede te deelen, wat door hem was of zou worden verrigt voor de invordering der belastingen ad ƒ 8,36, ƒ 574,40 en ƒ 520,80; en bij missive, insgelijks van 20 December 1856 no. 4530/66, werd nogmaals herinnerd aan het besluit van 23 october 1855 no. 88, en het schrijven

van 25 Julij 1856 no. 2663/82, betreffende de achterstallige contributiën ad ƒ 2084.44.

De gewezen ambtenaar Douwes Dekker was alzoo, tijdens zijn ontslag, den lande nog schuldig eene totale som van ƒ 3230,80/120.

Sluiten