Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij brief van 18 Februarij 1857 no. 1398, verzocht de Directeur van financiën den Resident van Batavia om op te geven, waar de ambtenaar Douwes Dekker zich toen bevond.

De Resident antwoordde bij missive van 25 Februarij 1857 no. 287/1, dat voor zooveel hem bekend was, de ambtenaar E. Douwes Dekker (die mtusschen geen ambtenaar meer was) zich bevond te Soerabaya of te Bodjonegoro (Rembang).

De Residenten van Soerabaya en Rembang werden nu gehoord, omtrent het verblijf van Douwes Dekker, bij brief van 28 Maart 1857 no. 2524.

De Resident van Soerabaya antwoordde bij brief van 2 April 1857 no. 1775/22, dat Douwes Dekker zich nog aldaar ophield, doch dien ochtend een pas had genomen, om met de mail van die maand naar Nederland te vertrekken, dat hij den 3en April met het stoomschip „Koningin der Nederlanden" Soerabaya zou verlaten, dat vermits door hem geene aankondiging van zijn vertrek in de courant was gedaan, hij in voldoening aan de bestaande bepalingen twee borgen had gesteld, welke zich als zoodanig hadden verbonden voor ien tijd van zes weken; en dat zijne echtgenoot, zoo ook zijn zeer jeugdig kind, zich te Soerabaya zouden blijven ophouden.

Dientengevolge werd den Resident van Soerabaya, bij brief van 10 April 1857 no- 28663, een staat gezonden van de sommen door Douwes Dekker nog verschuldigd, met verzoek om die onverwijld door de borgen in 's lands kas te doen overbrengen.

Bij brief van 20 Mei 1857 no. 1477/2 antwoordde de Resident dat de borgen weigerden te betalen, terwijl het nu bleek, dat de gestelde borgtogt geen waarde hoegenaamd bezat, verklarende de Assistent Resident voor de politie te Soerabaya zelfs, dat die borgtogt niet anders kan genoemd worden dan eene bloote formaliteit en geenszins voor de borgen verbindend, om de schulden van Douwes Dekker te voldoen, doch wel om alle zoodanige inlichtingen te

geven ten aanzien van zijn persoon, als belanghebbenden moeten vragen.

Nadat van den Resident van Soerabaya een afschrift van den ge-

Sluiten