Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Josaphat. Maar hoe zullen wij hem in den donker herkennen, zoodat wij niet een ander, dan den gewenschte, vangen?

Judas. Ik zal u een teeken geven. Als wij in den hof zijn, geeft dan acht. Ik ga naar hem toe en hij, wien ik kus, die is het, vat dien.

Allen. Goed, door dat teeken zullen wij niet kunnen dwalen.

Ptolomaüs. Hebt gij het gehoord. Aan den kus zult gij den Galileër herkennen.

De soldaten. Ja, ja, wij zullen ons niet in hem bedriegen.

judas. Komt dan vooruit, het is tijd, wij zijn niet ver meer van de plaats.

Josaphat. Judas, gij zult de vruchten van uw werk plukken, als het ons dezen nacht gelukt hem in handen te krijgen.

Handelaars. Wij zullen u ook nog eene goede belooning geven.

De soldaten. Pas nu op, gij verleider des volks, gij zult spoedig uwe belooning hebben.

Judas met al de zijnen dringen in het duister den hof in en

verschuilen zich daar. Op den voorgrond Jezus, achter hem de

leerlingen.

Jezus. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, gij zult ween en en weeklagen, maar de wereld zal zich verheugen. Gij zult treurig zijn, maar uwe droefheid zal in vreugde veranderd worden, want ik zal u wederzien en uw hart zal zich verheugen en niemand zal u die vreugde weer ontnemen. Ik ben van den Vader voortgekomen en in de wereld gegaan. Ik verlaat weêr de wereld en keer tot mijn Vader terug.

Petrus. Zie Heer, nu spreekt ge duidelijk en niet meer in gelijkenissen.

Tacobus. Nu zien wij dat gij alles weet!

Sluiten