Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Petrus. Ik ben het niet, bij mijn ziel. Neen! Ik ken dien man niet.

Op dit oogenblik kraait de haan.

Een soldaat. Zie dien man goed aan, waarlijk hij was bij den gevangene in den hof.

Petrus. Ik weet niet, wat je met mij te maken hebt. Wat gaat mij dien gevangene aan?

Velen te gelijk. Ja, ja, gij zijt een der zijnen. Gij zijt ook een Galileër, uw uitspraak verraadt u.

Petrus. God is mijn getuige, dat ik den man, waarover gij spreekt, niet ken.

De haan kraait voor de tweede maal.

Een knecht Wat! Heb ik u niet in den hof gezien, toen Malchus het oor afgeslagen werd?

De soldaten. Laten wij ons gereed, maken, daar komt de gevangene.

Selpha komt met Jezus in den voorhof.

Een knecht. Wel hoe is het afgeloopen?

Selpha. Hij is ter dood veroordeeld.

De soldaten (honendj. Arme koning!

Jezus ziet op dit oogenblik Petrus met bedroefde blikken aan,

waarop Petrus naar buiten gaat.

Selpha. Ge moet den gevangene hier bewaken, ge kunt den tijd met hem korten.

Petrus {buiten).

Petrus. Mijn Meester! Ach hoe diep ben ik gevallen! O wee! Ik zwakke, ongelukkige man. Ik heb U verloochend. Hoe is dat mogelijk! Driemaal verloochend. Ik! — O, Heer! Gij weet het! Ik was besloten met U den dood in te gaan! En nu! O schande over mij. Lafhartig heb ik mij van Hem losgescheurd. Als een lafhartige vluch-

Sluiten