Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pilatus (spottende). Ik sta verbaasd over uwen plotseling opgekomen ijver voor het gezag van den keizer.

(Hij wendt zich tot Jezus en zegt.)

Hoort gij, welke beschuldigingen zij tegen u uitbrengen. Wat antwoordt gij daarop? (Jezus zwijgt.)

Caïphas. Ziet gij wel, hij durft het niet tegen te spreken.

Een priester. Zijn zwijgen is eene volledige bekentenis.

Allen (schreeuwende). Veroordeelt hem dan!

Pilatus. Geduld. Dat is nog tijds genoeg. Ik zal hem in een afzonderlijk gehoor nemen.

(Hij zegt tot zijn gevolg:)

Als hij niet meer omringd is door dat geschreeuw van zijn aanklagers, zal hij mij wel antwoorden. Men brenge hem in den voorhof.

(En tot Caïphas en de anderen zegt hij:)

En gij overweegt nogmaals over het al of niet gegronde van uwe beschuldigingen en of deze niet uit een onzuivere bron voortkomen.

Pilatus met zijn gevolg en Jezus alleen.

Pilatus. Gij hebt al de beschuldigingen tegen u gehoord. Antwoord mij daarop. Gij hebt, zeggen zij, u Gods Zoon genoemd. Van waar zijt gij? (Jezus zwijgt.)

Ook mij antwoordt gij niet! Weet gij dan niet, dat ik de macht heb u te laten kruisigen, maar ook om u los te laten?

Jezus. Gij zoudt over mij geene macht hebben, als u die niet van boven gegeven was. Daarom deed hij, die mij overleverde, de grootste zonde.

Pilatus. Zijt gij de koning der joden?

Jezus. Vraagt gij dit uit u zeiven, of omdat anderen dat van mij gezegd hebben?

Sluiten