Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De bediende. (Hij doet Jezus den mantel om en zegt:) Nu groote wonderdoener, nu zult gij bij het volk opzien wekken.

Een priester. Sterven zal hij!

Herodes. Neen, aan het bloed van zulk verheven koning wil ik mij niet schuldig maken. Laat hem in dit prachtgewaad onder het volk rondloopen, opdat het hem naar hartelust kan bewonderen.

Een soldaat. Kom dan wonderkoning en sta ons toe, dat wij uwe eerewacht zijn.

Tweede soldaat. Welk geluk voor ons, znlk een hoog heer te begeleiden. (Zij gaan met Jezus heen.)

Caïphas. Gij hebt u nu zelf overtuigd, o koning! dat zijn werken slechts leugen en bedrog zijn, waardoor het volk misleid wordt. Spreek daarom uw vonnis uit.

De priesters. Spreek het doodvonnis over hem uit, zooals de wet dat eischt.

Herodes. Mijn uitspraak is: Hij is een onnoozele bloed, onschuldig aan datgene, waarvoor gij hem aanklaagt. Heeft hij misschien iets gedaan of gesproken tegen uwe wetten, dan is dat aan zijne onnoozellieid toe te schrijven.

Caïphas. O koning, wees voorzichtig, dat gij niet dwaalt.

Annas. Ik vrees, dat gij er zelf berouw over zult hebben, als gij hem zoo ongestraft laat gaan.

Herodes. Dat vrees ik niet. Een dwaas moet men als een dwaas behandelen. Hij heeft voor zijn dwaasheden nu al genoeg geleden en zal ze in het vervolg wel nalaten. En hiermede is de zitting gesloten.

Een rabbi. Dan is het ook gedaan met onze wetten, met onzen godsdienst, met Mozes en de profeten.

Herodes. Ik blijf bij mijn besluit. Ik ben vermoeid en wil er verder niets meer van hooren. Pilatus kan

Sluiten