Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Uit een in de nabijheid staand liuis komt een jood Ahasverus

naar buiten en schreeuwt tot Jezus:)

Weg van mijn huis, hier is geen rustplaats voor je.

(Intussclien nadert de stoet de plaats waar Maria staat.)

Maria (Jezus ziende). Hij is het! O God! Het is mijn Zoon!

(Op het punt van in zwijm te vallen, wordt zij door de heilige

vrouwen ondersteund.)

Een beul. Hij zal nog onderweg dood blijven.

De hoofdman (tot Jeztts). Hier versterkt U.

(Hij biedt Jezus een flescli aan, maar Jezus drinkt niet.)

Maria. Ach! zoo zie ik Hem dan ter dood gevoerd, als een misdadiger, tusschen moordenaars.

Joiinnes. Moeder, dit is het uur, dat Hij u voorspeld heeft. Zoo is de wil zijns Vaders!

Maria. O, welke smart is aan de mijne gelijk?

Een beul. Hij is te veel verzwakt, hij moet geholpen worden, wacht daar is een vreemdeling. (Hij •wijst op Simon van Cyrene).

De hoofdman (tot Simon). Kom hier en help! (en toen deze tegenstribbelde). Moeten wij u met geweld dwingen ?

(Op dat oogenblik werpt Jezus een blik op Simon.)

Simon. Wat zie ik ? Is dat de heilige man van Nazareth ?

Een beul. Hier op je schouders! (Hij legt het kruis op de schouders van Simon).

simon. Om Uwe liefde Jezus, wil ik het dragen. O kon ik U daardoor helpen!

Jezus (tot s/mon). Gods zegen over u en de uwen.

De hoofdman. Nu vooruit!

Een priester. Nu wat harder geloopen, hoor je!

Sluiten