Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Priesters en phariseërs. Schrikkelijk! Schrikkelijk!

Caïphas (op jczm wijzende). Dat heeft die booswicht nog door zijn tooverkunst gedaan. Goed dat hij dood is, anders bracht hij nog alle elementen in verwarring.

De priesters. Vervloekt zij de bondgenoot van Beëlzebub.

Caïphas. Laat ons gaan, om te zien wat er gebeurd is en dan terugkeeren, want ik heb geen rust voor dat lichaam in de kuil der misdadigers geworpen is. (Zj vertrekken.)

Nicodemus (tot Jozef van Arimathea). Moet dan het lichaam van dien Gods gezant zoo worden onteerd en in de kuil der misdadigers geworpen worden!

Jozef van Arimathea. Vriend, hoor mijn besluit. Ik ga dadelijk naar Pilatus, om hem te verzoeken, of hij mij het lijk wil schenken. Dat verzoek zal hij wel niet afslaan.

Nicodemus. Doe dat vriend! Ik zal kruiden halen om hem te balsemen. (Zij gaan)

De hoofdman (tot de heilige vrouwen). Wees niet beangst, goede vrouwen, u zal geen leed geschieden.

Magdalena (op hare knieën het kruis omknellende.) O, liefste Leeraar! Mijn hart hangt met U aan het kruis.

Een dienaar van Pilatus (tot den hoofdman.) Op bevel mijns meesters moeten de beenen van de gekruisigden stuk geslagen en de lichamen afgenomen worden. Voor dat de avond valt moet alles afgeloopen zijn.

De hoofdman. Het zal onmiddellijk geschieden. Mannen slaat eerst de beenen van die twee anderen stuk. (Een beul plaatst een ladder tegen het kruis van den eenen moordenaar en slaat met een stuk hout de beenen stuk. Dit geschiedt ook door een hveedc beul bij den anderen moordenaar).

Maria (angstig). Ach Jezus, men zal toch zoo gruwzaam niet handelen met uw heilig lichaam!

Sluiten