Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een beul. De jodenkoning is reeds dood, zijn beenen te breken is niet meer noodig. Om zeker te zijn zal ik met de lans in zijn hart steken. (Hij steekt Jezus in de zijde. Het bloed vloeit er uit.

De heilige vrouwen. Ach ! Ach !

Magdalena. O Moeder, deze lanssteek is ook door uw hart gegaan.

De hoofdman. Neemt nu de lichamen van de kruisen.

Een beul. Waar moeten zij gebracht worden?

De hoofdman. Zooals het bevel luidt, in de kuil der misdadigers.

Maria. Welk schrikkelijk woord!

Magdalena (tot den hoofdman). Mogen wij dan zelfs onzen Vriend de laatste eer niet bewijzen?

De hoofdman. Het ligt niet in mijne macht, uw verzoek toe te staan. (Intusschen hebben de beulen de ladder tegen de kruisen gezet en halen de twee moordenaars eerst van het kruis. Op dit oogenblik komt Caiphas met de priesters op Golgotha terug)

Caïphas. Zooveel te aangenamer zal het ons zijn, het lichaam van dien booswicht in den schandkuil te zien werpen, nu wij de verwoesting aanschouwd hebben, die hij nog in den tempel veroorzaakt heeft.

Annas. Wat zou het voor mij een genot zijn, als ik hem in dien kuil stuk voor stuk door wilde dieren verscheurd mocht zien.

Caïphas. Zie ze zijn al bezig de lijken af te nemen, wij zullen dus niet lang behoeven te wachten. (Op dit oogenblik komt een dienaar van Pilatus gevolgd door Nicodemus en Jozef van Arimathea en zegt:)

De dienaar. De stadhouder heeft mij gezonden, om u te vragen of Jezus van Nazareth, zooals deze mannen zeggen, reeds gestorven is?

De hoofdman. Het is zoo, overtuigt u zelf.

Sluiten