Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne Provintie, zoo als de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap. Alle adel, door den Souvereinen Vorst verleend, is slechts erfelijk op den oudsten zoon, of bij ontstentenis van zonen, op den oudsten mannelijken nakomeling bij vertegenwoordiging, mits dezelve zij of worde een ingezeten van de Provintie.

De Souvereine Vorst een ridderorde willende instellen, doet eene voordragt daar omtrent aan de Staten Generaal, ten einde daarin voorzien worde door eene wet. Vreemde orden mogen slechts aangenomen worden door den Souvereinen Vorst en de Prinsen van Zijn huis, zonder eenige verbintenis.

De ingezetenen mogen geen vreemde orden, noch adel, noch waardigheden, noch titels, noch charges van vreemden aannemen, zonder een bijzonder verlof van den Souvereinen Vorst.

Art 16. De Souvereine Vorst is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is; minderjarig zijnde staat hij onder eene Voogdij van aanzienlijke personen uit het vorstelijk huis en anderen. Deze Voogdij wordt vooruit beraamd door zijnen voorganger en de Staten Generaal gezamentlijk. Is deze voorafgegane schikking door zijnen voorganger verzuimd, zoo stellen de Staten Generaal de voogden aan op het oogenblik van deszelfs overlijden.

Bij het overlijden van den Souvereinen Vorst vergaderen de Staten Generaal onmiddellijk en zonder eenige oproeping. Die leden van de Vergadering, welke zich in de Residentie bevinden, acht dagen na den sterfdag, openen deze buitengewone vergadering.

Art. 17. Onder de minderjarigheid van den Souvereinen Vorst wordt het regt der Souvereiniteit waargenomen door eenen Regent. De Souvereine Vorst en de Staten Generaal benoemen gezamentlijk een Regent op het mogelijk geval van minderjarigheid. Zij mogen de opvolging in het Regentschap vaststellen tot de meerderjarigheid van den Erfprins toe.

Art. 18. Indien er geen voorafgaande schikking op de

Sluiten