Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERSLAG

VAN DE

COMMISSIE van RAPPORTEURS der TWEEDE KAMER, van den 16en Maart 1848.

Met hartelijke blijdschap werd, bij de opening van de tegenwoordige zitting van de Staten-Generaal, de mededeeling in de Troonrede vernomen, dat de Koning tot de overtuiging gekomen was, dat er noodzakelijkheid tot wijziging van eenige bepalingen der Grondwet bestond, en dat Z. M. geene veranderingen schroomde, welke geacht konden worden tot werkelijke, door de ondervinding aangewezen, verbeteringen in het Staatsbestuur te zullen leiden. Met klimmende belangstelling werdt sedert de vervulling der te gelijk met die verklaring gedane toezegging van de voorstellen, die tot deze wijziging en verandering moesten strekken, verbeid. Werkelijk werden, bij eene Koninklijke boodschap van den 8 Maart j.1., aan de Tweede Kamer zeven en twintig ontwerpen van wet aangeboden, die moesten strekken tot verduidelijking van de bepalingen der Grondwet wegens het stem- en kiesregt, en van eenige andere dier bepalingen, welker wijziging terzelfder gelegenheid door de Regering noodig werd geacht.

Deze wets-voordragten waren wel aan de leden der Tweede Kamer ten volle bekend, maar nog niet op de voorgeschrevene wijze aan de overweging harer afdeelingen onderworpen, toen eene voor de toekomst des Vaderlands hoogst gewigtige mededeeling werd ontvangen, door welke het uitzigt op eene ruime herziening der Grondwet geopend werd, waarvan het initiatief van de Kroon zou uitgaan, nadat deze met de tegenwoordige denkwijze van de leden der Kamer omtrent zulk eene herziening nader bekend zou zijn geworden.

Sluiten