Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1.

Nagenoeg algemeen hebben in de afdeelingen de leden der Kamer zich tegen het behoud der standen verklaard, voor zooverre die, volgens de bestaande Grondwet, als staatkundige ligchamen, politieke regten uitoefenen.

II.

Slechts door zeer weinige leden der Kamer is het verlangen geuit, dat de regeling der verkiezingen geheel mogt worden overgelaten aan de wet. De zeer groote meerderheid, die de hoofdbeginselen omtrent dit aangelegen punt voortdurend in de Grondwet zelve wensclit opgenomen te zien, heeft zich tegen het invoeren van regtstreeksche verkiezingen voor het benoemen van de leden der Tweede Kamer, der Provinciale Staten en der gemeente-raden verklaard Van de weinige leden, die dit anders algemeene gevoelen niet deelden, ontkenden enkelen de bezwaren niet, die ook hunnes inziens welligt aan regtstreeksche verkiezingen verbonden waren; meenende zij echter, dat die bezwaren onder anderen door de bepalingen bij de wet omtrent den census der kiezers konden worden weggenomen.

Bijna dezelfde overgroote meerderheid heeft het gevoelen voorgestaan, dat de verkiezingen voor de plaatselijke en provinciale vertegenwoordiging en voor de Tweede Kamer der StatenGeneraal behoorden plaats te hebben door kies-collegiën, dadelijk door stemgeregtigden, wier bevoegdheid uit de wet zou voortvloeien, te benoemen; zoodat voortaan alleen van verkiezingen met éénen trap de rede zou kunnen zijn. Enkele leden, die zich vóór regtstreeksche verkiezingen gestemd toonden, hebben te kennen gegeven, zich, wanneer hun gevoelen geen genoegzamen weerklank vond, wel met zoodanige verkiezingen met éénen trap te kunnen vereenigen.

Eindelijk is, mede met eene overgroote meerderheid, het gevoelen voorgestaan, dat, als kies-collegiën voor de benoeming van de leden der Tweede Kamer van de Staten-Generaal, de Provinciale Staten niet behouden kunnen blijven.

Sluiten