Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een eigenlijk gezegd ministerie gewaarborgd, zoodat alsdan daarover geene verdere bepalingen in die Grondwet gevorderd worden.

VII.

Afgescheiden van de zoo even bedoelde algemcene staatkundige verantwoordelijkheid, die voor eene regeling bij de wet minder vatbaar schijnt, heeft men nagenoeg eenstemmig eene regeling der ministeriële verantwoordelijkheid bij de wet verlangd, beter en vollediger dan thans, volgens de artt. 75 en 76 der Grondwet en volgens andere wetten, bestaat.

VIII.

Op zeer weinige uitzonderingen na. wenschen de leden aan den Koning het regt toegekend te zien, om de Tweede Kamer der Staten-Generaal te ontbinden.

IX.

Algemeen heeft men de overtuiging uitgesproken, dat de Staten Generaal op de wetgeving voor de koloniën niet denzelfden invloed behooren uit te oefenen, als op die voor het moederland. Daarentegen kan de groote meerderheid der leden geen genoegen nemen met hetgeen omtrent dit aangelegen punt bij het IVde der aanhangige wets-ontwerpen tot wijziging der Grondwet wordt voorgesteld. Diezelfde meerderheid verlangt, dat de reglementen op het beleid der regering voor de overzeesche bezittingen bij de wet worden vastgesteld.

Sommige leden waren daarenboven van gevoelen, dat nog meerdere waarborgen dan thans bestaan of bij het reeds aangehaalde wets-ontwerp zijn voorgesteld, voor het rigtig geldelijk beheer in de koloniën, en met opzigt tot het batig slot, dat de Oost-Indische bezittingen opleveren, behooren verleend te worden. De groote meerderheid echter was van meening, dat juist de behandeling van het bedoelde wets-ontwerp de meest geschikte

Sluiten