Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den laatsten Koning de koninklijke waardigheid in haar huis over, en wordt bij vóóroverlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd.

Art. 17. Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak vóór den vrouwelijken tak, en de oudste vóór den jongeren, en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouder vóór jonger den voorrang hebben.

Art. 18. Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft en er geen mannelijk oir uit het huis van Oranje-Nassau overig is. volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den koninklijken huize zijnde, op, en wordt mede, bij vóóroverlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd.

Art. 19. Wanneer eene vrouw de kroon in een ander huis heeft overgebragt, treedt dit huis in alle regten van het oorspronkelijk stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir vóór alle vrouwen of vrouwelijke afstammelingen erft, en geene andere lijn geroepen wordt, zoolang iemand van hare nakomelingen in leven is.

Art. 20. Eene Prinses, buiten toestemming der StatenGeneraal een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt tot de kroon.

Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, doet afstand van de kroon.

Art. 21. Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje-Nassau, gaat de kroon over aan deszelfs zuster. Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, douairière van wijlen Carel Qeorge August, Erfprins van Brunswijk-Luneburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 12, mogt worden aangegaan.

Sluiten