Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK.

Van de Godsdienst.

Art 156. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid.

Art. 157. Aan alle kerkgenootschappen in het rijk wordt gelijke bescherming verleend.

Art. 158. De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten alle dezelfde burgerlijke en politische voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

Art. 159. Alle openbare oefening van godsdienst wordt toegelaten, voor zooverre die niet kan worden geacht eenige stoornis aan de publieke orde en rust te zullen toebrengen.

Art. 160. De tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, die in 1814 door de onderscheiden godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten werden, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

nan ue leeraars, welke tot nog toe uit 's lands kas geen, of een niet toereikend, tractement genieten, kan een tractement toegelegd of het bestaande vermeerderd worden.

Art. 161. De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.

Art. 162, De kerkgemeenten hebben de vrije keus harer leeraren en het regt van briefwisseling met hare hoofden, gelijk dat, om hunne kerkelijke voorschriften af te kondigen, behoudens de verantwoordelijkheid volgens de strafwet.

Sluiten