Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loovigen pessimisten noemen; maar kan er vreeselijker pessimisme bedacht worden dan de katholieke leer, indien althans de Katholiek nog iets voor zijn medemenschen gevoelt? Maar gelukkig is de natuur sterker dan de leer, en veel Katholieken gaan evenals andere menschen opgeruimd door het leven. En al heeft de Katholiek geleerd en geloofd, dat de meesten zijner medemenschen later voor eeuwig naar de hel gaan, toch zal hij eventueel met ontzetting vernemen, dat eenige duizenden menschen, hun afschuwelijke beulen verwenschende, zouden doodgemarteld zijn, en zal hij met hen diep medelijden gevoelen. Aan de hel denkt hij daarbij maar niet, waarin zij na hun dood wellicht vielen. Hij gevoelt zelfs verlichting bij de gedachte, dat de dood aan die marteling een einde maakt.

Om deze leer omtrent de hel een minder gedrochtelijk aanzien te geven, trachten sommigen in strijd met den Catechismus en met de duidelijke teksten van kerkelijke en pauselijke vervloekingen, de heele wereld te doen beschouwen als behoorend tot de ware Kerk. Buiten de Kerk kan wel niemand zalig worden (dit staat er nu eenmaal), maar er gaat ook niemand zonder zijn schuld verloren. Die dus te goeder trouw ongeloovig zijn — en dat zijn toch minstens 999 van de 1000 — maken eigenlijk ook deel uit van de Kerk en zoo behoort dus zoo goed als de geheele wereld — ook schrijver dezes — tot de ware Kerk, en kan dus ook de heele wereld op die wijze zalig worden.

Men tracht ons dus heel wat op de mouw te spelden met die leer omtrent openbaring, ketterij, erfzonde, doopsel, doodzonde, noodzakelijkheid des middels, enz.

Om de eeuwigheid — dus de oneindigheid — der helsche straf goed te praten, zegt men, dat de zonde is bedreven tegen God, die in zijn wezen en eigenschappen oneindig is. Maar om dan het kwaad oneindig boosaardig te doen zijn, zou het toch wel minstens noodig zijn, dat de zondaar begrip had van de oneindige eigenschappen Gods (wat natuurlijk niet kan) en dat hij dan nog zondigde, niet verblind door hartstochten, maar als het ware om God te beleedigen, wat nooit het geval kan wezen, want zoo iemand zou krankzinnig zijn. En dan de dagelijksche zonden, die zijn toch ook tegen God bedreven?

Ik geloof, dat het zelfs niet te ontkennen valt, dat het verschil in deugd bij de menschen grootendeels afhangt van omstandigheden buiten hun wil. Neem een jongen met een gelukkigen natuurlijken aanleg, met zorg opgevoed in een verstandig, braaf gezin; nooit heeft hij honger gekend langer dan een uur voor den maaltijd; nooit heeft hem iets ontbroken, ook niet toen hij later zelf een gezin had. Daarentegen het kind van een dievenfamilie, in domheid en schelmerij grootgebracht, en dat niet anders dan

Sluiten