Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schraap- en heerschzucht van dezen of door vrome lichtgelovigheid van genen, en die welig tierden in het brein der menigte uit die duistere tijden. Die bedriegerij der menigte beschrijft „De Tijd" als volgt: „De vrome hagiografen van vroegere eeuwen „schreven veelal meer om te stichten dan om aan het nageslacht „een alleszins betrouwbare geschiedenis na te laten".

Wel, wel! — Die vrome hagiografen, die dikwijls ook de getuigenissen en bewijzen der wonderen verhaalden, wisten dus vaak wel beter, doch deden dat maar om door die leugens de menigte te stichten, zooals men ook nog in deze tijden de menigte tracht te stichten met Marpingen, Lourdes, Napels, enz.

Op die manier brengt men toch de vrome lui nog in den waan, dat ze eigenlijk volstrekt niet zijn bedrogen, maar in hun welbegrepen eigenbelang zijn bedot geworden, en dat die fopperij heden ten dage ook niet meer plaats heeft. De hedendaagsche hagiografen zijn blijkbaar niet zoo heel vroom meer; ze hebben althans voorzichtiger te zijn en rekening er mede te houden, dat de mist wat begint op te trekken; maar toch zal men van die oude wonderverhalen voor de geloovigen nog wel laten gelden alles, wat niet al te erg het kenmerk zijner onwaarachtigheid op het voorhoofd draagt, en waarvan de onwaarheid niet kan worden bewezen.

OVER DE HEILIGE SCHRIFTEN

Ten allen tijde is de Biibel, het Oude en het Nieuwe Testament, de hoeksteen geweest van het katholiek geloof. Wat er in de Heilige Schrift staat geldt, of liever gold, als goddelijke waarheid. Indien er in de Kerk ooit een eenstemmige meening heeft geheerscht, een meening die ook de Protestanten aanvankelijk nog onverzwakt hebben overgenomen, dan is het wel deze, dat de Bijbel geen onwaarheden bevat, en dat de bijbelsche verhalen even ernstig moeten worden geloofd als ze worden voorgedragen. Nooit is er in de Kerk aan de uitspraak der gewijde schrijvers getwijfeld; de leer van kerkvaders en conciliën van alle eeuwen was daaromtrent eensluidend. Alleen, waar de gekozen woorden dubbelzinnig waren, geen zeer duidelijke meening weergaven, kon verschil van opvatting bestaan. Zoo sterk was die overtuiging, dat, toen een Galileï de meening verkondigde, dat de aarde om de zon draait, hem door de H. Inquisitie gelast werd, die meening te herroepen, o. a. ook omdat in de H. Schrift staat, dat Jozua de zon deed stilstaan aan den hemel; en zulks hoewel er toen al lang sprake was geweest van het draaien der aarde en er inderdaad veel te

Sluiten