Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht, om dat het over den dag zijn zoude: en het mindere licht, dat het over den nacht zijn zoude: en sterren.

17. En hij heeft die gezet in het firmament des hemels, dat zij op de aerde zouden lichten.

18. En dat zij zouden over den dag en nacht zijn, en dat zij het licht en de duisternissen scheiden zouden. En God heeft gezien dat het goed was.

19. En het is geworden avond en morgen, den vierden dag.

20. En God heeft ook gezeid: Dat de wateren voortbrengen het gewemelte der levende ziel, en het gevogelte boven de aerde onder het firmament des hemels.

21. En God heeft groote walvisschen geschapen, en allerhande levende en roerende zielen, welke de wateren voortgebracht hadden naer een iegelijks aerd, en alle gevogelte naer zijnen aerd. En God heeft gezien dat het goed was.

22. En hij heeft die gezegend, zeggende: Wast en vermeerdert u, en vervult de wateren der zee: en de vogelen vermeerderen zich op de aerde.

23. En het is geworden avond eu morgen den vijfden dag.

24. En God heeft ook gezeid : De aerde brenge voort levende zielen naer haren aerdzoene, jokvee en kruipelingen, en beesten der aerde naer hunnen aerd. En het is alzoo geschied.

25. En God heeft gemaekt de beesten der aerde naer haeren bijzonderen aerd, en het jokvee, en alle kruipeling naer zijnen aerd. En God heeft gezien dat het goed was.

26. En heeft gezeid: Laat ons den mensch maken naer ons beeld en gelijkenis: en dat hij overhoofd zij den visschen der zee, en het gevogelte des hemels, en de beesten, en alle de aerde, en alle kruipeling, welk op de aerde geroerd wordt.

27. En God heeft den mensch geschapen naer zijn beeld: naar Gods beeld heeft hij hem geschapen, man en vrouw heeft hij ze geschapen.

28. En God heeft ze gezegend, en gezeid: Wast en wordt vermenigd, en vervult de aerde, en onderwerpt ze, en overheerschapt de visschen der zee, en het gevogelte des hemels, en alle gedierten die op de aerde geroerd worden.

29. En God heeft gezeid: Ziet daer, heb ik u gegeven alle kruid, zaed voortbrengende op de aerde, en alle boomen die in zich zeiven hun aerds bezaedsel hebben, dat die u zijn tot eene spijs :

30. En voor alle gedierte der aerde, en voor alle de vogelen des hemels, en voor al dat zich op de aerde roert, en daer eene levende ziel in is, dat zij te eten hebben. En het is alzoo geschied.

31. En God heeft gezien alle dingen die hij gemaekt hadt: en waren alle zeer goed. En het is geworden avond en morgen, den zesden dag.

Sluiten