Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden dat zij naekt waren, zoo naeiden zij te zamen vijgebladeren en hebben zichzelven gemaekt schorten.

8. En als zij gehoord hadden de stem Gods des Heeren, wandelende in het paradijs ter namiddag lucht, zoo heeft zich Adam met zijn wijf verborgen van het aenzigt Gods des Heeren, in het midden van het hout des paradijs.

9. En God de Heer heeft Adam geroepen en hem gezeid: Waer zijt gij ?

10. Denwelken antwoordde: Ik heb uwe stem gehoord in het paradijs, en gevreesd, om dat ik naekt was, en ik heb mij geborgen.

11. Tot wien den Heer zeide: Maer wie heeft u te kennen gegeven dat gij naekt waert, anders dan dat gii hebt geëten van den boom, daer ik u af bevolen had dat gij daer af niet eten zoudt?

12. En Adam heeft gezeid: Dat wijf hetwelk gij mij tot eene gezellin hebt gegeven, die heeft mij van den boom gegeven, en ik heb het geëten.

13. En toen zeide God den Heer tot de vrouw: Waerom hebt gij dit gedaen? Dewelke heeft geantwoord: De slang heeft mij bedrogen en ik heb geëten.

14. En God den Heer heeft gezeid tot de slang: Want gij dat gedaen hebt, zoo zijt gij vervloekt onder alle gedierten, en beesten der aerde: op uwe borst zult gij gaen, en gij zult aerde eten alle de dagen uws levens.

15. Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, en tusschen uw zaed en haer zaed, zij zal u den kop verpletten, en gij zult hare verzenen belistigen.

16. En tot de vrouw heeft hij ook gezeid: Ik zal uwe ellendigheden en uwe zwakheden vermenigvuldigen, met pijnen zult gij uwe kinderen baren, en gij zult onder de macht des mans wezen, en hij zal uw heer zijn.

17. Maer tot Adam heeft hij gezeid: Om dat gij gehoord hebt de stem uws wijfs, en geëten van den boom, daer ik u geboden had dat gij niet af eten zoudt, vervloekt zij de aerde in uw werk: in arbeiden zult gij daer af eten al uwe leefdagen.

18. Doornen en distelen zal zij u voortbrengen, ea gij zult eten het kruid der aarde.

19. In het zweet uws aenzigts zult gij uw brood eten, tot dat gij wederkeert in de aerde daer gij af genomen zijt: want gij zijt stof der aarde, en zult wederkeeren tot het stof.

20. En Adam heeft genoemd den naem zijner huisvrouw Eva, om dat zij eene moeder was aller levend igen.

21. God den Heer heeft ook Adam en zijne huisvrouw gemaekt pelsrokken, en trok ze hen aan.

22. En hij zeide: Ziet Adam is geworden als onzer een, wetende

Sluiten