Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder vier oogen erkent men dit wel eens: zoo schreef eenige jaren geleden een geleerd jezuït R. Cornély (in 'tlatijn natuurlijk, niet voor de geloovige kudde); „Tot onze oneer moeten wij bekennen, dat het in onze dagen zoo ver is gekomen, dat, wanneer wij aan onze Heilige Schriften eene ietwat nauwlettende studie willen wijden, wij de taal- en geschiedkundige werken der Protestanten niet kunnen ontberen. Wat ook voor het herstellen van den echten tekst der heilige boeken door de Protestanten is verricht, is in het afgehandelde deel breedvoerig in het licht gesteld; andermaal hebben wij te erkennen, dat wij ook in de critiek van den heiligen tekst met uitzondering enkel van onze Vulgata, bijna geheel van hunnen arbeid afhangen". Dit klinkt anders, dan de betreffende voorlichting van den Catechismus. Intusschen schijnt het maar al te waar, dat de oorspronkelijke inhoud van weinig boeken zoo onbarmhartig verknoeid is als die der evangeliën, die God dus ten vergeefs, om ze feilloos te maken, door den H. Geest liet dicteeren. Maar dat verknoeien is geschied veel meer dan duizend jaren voor de Protestanten er waren.

In de derde eeuw schreef de geleerde Origenes al: „Het is tegenwoordig een uitgemaakte zaak, dat het onderscheid der exemplaren (van de H. Schrift) groot is, zij het door de achteloosheid van sommige afschrijvers, zij het door de stoutheid van sommigen in misdadige verbetering van het geschrevene, zij het van wege degenen, die bij het in orde brengen toevoegen of uitlaten wat hun goeddunkt. De afwijkingen in de Grieksche handschriften des Ouden Verbonds hebben wij met Gods genade tot staan gebracht, doordat wij de overige uitgaven als toetsmiddelen bezigden; in de exemplaren des Nieuwen Verbonds echter heb ik gemeend, dit niet zonder gevaar te kunnen doen".

Dit was in de derde eeuw; men had toen dus al lang geknoeid; en een eeuw later schrijft de H. Hieronymus, een geleerd kerkvader, nog: „Wijd heeft in onze handschriften de dwaling om zich gegrepen. Wat de eene evangelist in dezelfde zaak meer gezegd heeft dan een ander, heeft men in den ander toegevoegd, omdat men daar een tekort meende te zien; ofwel, men heeft eerst een van de vier evangeliën uitgekozen en dan gemeend naar zijn voorbeeld de overigen te moeten verbeteren, waar een evangelist den zelfden zin afwijkend had uitgedrukt. Zoo komt het dan, dat alles bij ons is dooreengemengd, en in Markus veel van Lucas en Mattheus, in Mattheus daarentegen zeer veel van Johannes en Markus wordt gevonden".

Men behoeft trouwens geen geleerde te zijn, om bij het lezen der twee laatste hoofdstukken van Johannes het vermoeden te voelen opkomen, dat daar aan een oorspronkelijk geschrift geknoeid is. Blijkbaar heeft het geheugen den H. Geest daar parten ge-

Sluiten