Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral in sierlijke taal kan men onnadenkende lezers misleiden; maar al is de stijl nog zoo schoon, al zijn de luimige zetten nog zoo behendig geplaatst, toch zal die humor bij den aandachtigen, ernstigen lezer in plaats van een gullen lach niet zelden een „bah I" te voorschijn roepen. Ik raad eiken lezer van Hoensbroech aan, zich ook het bovengenoemd werk van Filatus aan te schaffen; voor twijfelaars aan wat Hoensbroech schreef betreffende de in dit boekje behandelde onderwerpen zal het dienen om dien twijfel op te heffen.

Het spreekt wel van zelf, dat in het aangevallen boek eenige fouten worden aangetoond; Hoensbroech heeft waarschijnlijk nooit beweerd, bij het schrijven ervan door den H. Geest ter zijde gestaan te worden; maar wat Pilatus pleit zijn hoofdzakelijk verzachtende omstandigheden voor de Kerk en in dat pleidooi heeft hij nog maar weinig meer dan het succes van den slimmen advocaat, die, het proces niet kunnende winnen voor zijn boerencliënt, dezen toch weet tevreden te stellen, door diens tegenpartij den rug vol te schelden.

Van een drietal verhalen van heksenvervolgingen door bisschoppen en priesters beweert Pilatus, dat die door Hoensbroech onjuist en onvolledig zijn weergegeven; aangenomen, dat die aanmerkingen juist zijn, dan zijn ze nog van weinig belang. Een groot deel der 167 bladzijden van zijn werk vult Pilatus met op zeer geestige wijze voorgedragen beschimpingen en beleedigingen van Hoensbroech, blijkbaar ook om daardoor de armoede aan degelijke argumenten te verbergen. Hij schijnt zijn lezers wel te kennen. Zoo noemt hij ergens eenige katholieke leeken, die tegen folteren en heksenwaan waren, en zulks als argument tegen Hoensbroech; alsof dit niet juist vóór hem en tegen Kerk en geestelijkheid pleitte '). Maar Pilatus weet alles zoo voor te dragen, dat de argelooze katholieke lezer het wel slikt.

Behalve het aantoonen van eenige weinig beteekenende onjuistheden, komt het betoog van Pilatus, zoover ik uit mijne aanteekeningen kan opmaken, neer op het uiten en verdedigen der volgende stellingen:

In beginsel was de inquisitie niet af te keuren.

Over het algemeen was de invloed der Christelijke Kerk wel¬

waarbij hij dan vanzelf gelegenheid te over zou hebben, om ook laster en valsche opvattingen omtrent de Kerk aan de kaak te stellen. Heeft hij het niet gedaan, dan moge hij zelf zijn wat hij wil, zijn pen schijnt dan vrijwel Katholiek te zijn, en de handige pleitbezorgers der groote dwaling zullen natuurlijk dankbaar gebruik maken van de indrukmakende getuigenissen van zoo'n niet-Katholiek.

l) In die duistere tijden waren er dus toch nog enkele verlichte menschen > maar die droegen toevallig geen tiaar, mijter of steek!

8

Sluiten