Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet hebben voldaan, als gevolg waarvan dezen dan van de kiezerslijst geweerd blijven.

Brie gevallen zijn er toch nog, waarin wanbetalers der Rijksdirecte belastingen kiesgerechtigd kunnen worden.

In de eerste plaats zegt de wet nadrukkelijk, dat aanslagen in de Rijks directe belastingen, waarvoor eerst na 31 Dec. van het laatstverloopen jaar een aanslagbiljet is uitgereikt, ten aanzien van het kiesrecht buiten aanmerking blijven. Wie dus in de personeele- of grondbelasting is aangeslagen over 1908, maar het aanslagbiljet heeft ontvangen na 31 Dec. 1908, ot ook in de bedrijfs- of vermogensbelasting over het dienstjaar 1907—1908 en het aanslagbiljet daarvoor eveneens ontving na 31 Dec. 1908, kan, ook al heeft hij op 1 Maart 1909 niets daarvan betaald, toch op een of anderen grond kiesbevoegd worden. Het komt voornamelijk voor bij de personeele belasting, indien de persoon niet over het geheele dienstjaar is aangeslagen, doch slechts over een gedeelte daarvan b.v. over de laatste maanden, omdat hij toen eerst in de termen daarvoor viel.

De beide andere gevallen, waarin belastingschuldigen toch kiesbevoegd kunnen worden, berusten feitelijk op leemten in de wet.

Stel, iemand is in eene der Rijks directe belastingen aangeslagen, welken aanslag hij niet betaalt. Hij verlaat nu zijne gemeente en vestigt zich metterwoon elders. Gelijk we zooeven zagen, geven de ontvangers de namen der belastingschuldigen alleen op aan den burgemeester der gemeente, waarin dezen zijn aangeslagen, niet aan die der gemeente, waar dezen wonen of zich later mochten vestigen. Vandaar dat in dit geval de burgemeester der nieuwe gemeente, waarheen deze persoon verhuisde, niet weet, dat deze een belastingschuldige is en hij derhalve in die gemeente toch op de kiezerslijst kan worden geplaatst, als hij aan eenig bijzonder vereischte daarvoor voldoet.

Het derde geval is van soortgelijken aard als het tweede.

Het komt n.1. soms voor, dat de vrouw in eenige Rijks directe belasting is aangeslagen, doordat zij zelfstandig een bedrijf of beroep uitoefent of onroerende goederen op haar naam heeft of haar vermogen is afgescheiden van dat van haar man. Ook gebeurt het een enkele maal, dat de minderjarige kinderen, dus beneden 21 jaar, in het bezit zijn van goederen of geldelijk vermogen, welke zij b.v. van overleden verwanten hebben getrfd

Sluiten