Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en meermalen vermeld, hun hof te 's-Gravenzande gehouden hebben. Deze Graven van Maasland, zegt hij, zullen ook in hun Graafschap een woning en hun hof gehad hebben: en daar is geen eene plaats in gansch Maasland, zoo redeneert hij verder, daar eenig litteken van een oud Gravenhof overgebleven zij, als 's-Gravenzande: en daarom wil hij er niet aan getwijfelt hebben, of de oude Graven van Maasland hebben hier hun hof gehouden! En dit is ook de reden, zoo als hij meent, dat 's-Gravenzande weleer zoo een bloeijende en rijke stad is geweest.

„Zijn zeggen — gaat de schrijver in de „Aantekeningen" voort — strekt mijns oordeels tot geen verkleining van 's-Gravenzande.... Zijn de Graven van Holland magtiger geweest; die van Maasland zijn ouder."

Waar zij rechten te verdedigen hadden, traden de Middeleeuwsche Maaslanders kloek op. Zóó in 1429, toen de stad Delft hen verplichten wilde, mede hun aandeel te geven in den opbouw van het stadhuis te Delft. De Landsheer, Hertog Philips van Bourgondië, stelde hen in het gelijk, en beval op den 2de" van Wijnmaand 1429, dat de ingezetenen van Maasland hun aandeel niet behoorden te geven.

Zoo waren in 1532 van eenige Welgeboren mannen, >) wonende m het dorp en ambacht van Maasland wederrechtelijk penningen ingevorderd voor schot, lot en riemtalen, alsook voor reparatiën van zandwegen, het schoonmaken en uitdiepen van den Vijver en het onderhoud van den Hofsingel te 's-Gravenhage. Bij vonnis van den 4den Maart 1532, gewezen door den Hove van Holland werd den rentmeester van Holland gelast die wederrechtelijk ingevorderde penningen te restitueeren.

!) Onder Welgeboren mannen, destijds de tweede stand in Holland, verstond men Edellieden, uit den ridderlijken stam neergekomen

°* ge!^°ten' doch niet tot de Ridderschap behoorende en geen ridderlijke oefeningen hanteerende, maar zich met landbouw onledig houdende (zonder het boerenwerk eigenhandig te verrichten', of een stil leven leidende. Tot den eersten stand behoorden toen de Edelen die tot de trap van de Ridderschap gekomen waren, en zich alleen met ridderlijke oefeningen bezig hielden. Tot den derden of laatsten stand behoorden zij, die niet afstamden van ridders of adellijken en zich bezig hielden met nering of ambachten.

Sluiten