Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besloten, daar niets toe bij te dragen, of „het moest egaal en gelijk gaan, dat (hunne) dingen mede op den gemeenen omslag kwamen. Zoo dit niet ware, dat zij eer zij zulks toelaten zouden, liever met proces zoodanige verongelijking zouden weerstaan."

Intusschen was de separatie begonnen. Ten „aanhooren van velen uit de gemeente, gequalificeerde buren op Maaslandsluis" werd de acte van separatie voorgelezen, waarin 1° de omvang van het rechtsgebied werd bepaald, 2° een Schepenbank ingesteld en de tijd, waarop dit college vergaderen zou, aangewezen werd, ') 3° de bepaling werd opgenomen, dat het loon en salaris van Schout, Schepenen, Secretaris en Bode niet hooger mocht zijn dan dat te Maasland, 4° dat ook het zegelrecht van 't nieuwe Ambacht niet hooger zou zijn dan dat der moedergemeente.

De eerste Schout van Maaslandsluis was A. van Waes, die op 10 Januari 1612 aan den Ambachtsheer een voordracht van veertien personen aanbood, waaruit het college van zeven Schepenen kon gekozen worden. Tot eerste Schepenen werden door Jonkheer Otto van Zevender, die van den Ambachtsheer opdracht had ontvangen de separatie tot een eind te brengen, gekozen: Adriaan Willemsz. van Moordrecht, Joost Willemsz. Streelandt, Cornelis Claesz. Cruydenier, Leendert Cornelisz. 's-Gravensande, Jan Jansz. Verdoes, Jan Cornelisz. van Nierop, „allen wonende op de dorpe van Maaslantsluys", en verder Dirk Fredericx, „wonende in den polder van Aalkeet-binnen in de jurisdictie van Maeslantsluys voorschreven". De eed werd afgelegd voor Otto van Zevender ten huize van Marytgen Leendertsdochter, „weduwe van wijlen Maerten den afslager".

Maasland zat intusschen niet stil, maar bracht de zaak voor den Hove van Holland. In een mandement penaal, „bij genoemden Hove beloopen", klaagde het over het verlies, dóór de separatie geleden. Ook zocht en vond het steun „bij de heeren van Delft", die de separatie niet gezind waren. Om zijn aloud recht te handhaven werd er te Maasland aan gedacht te procedeeren.

Intusschen kwam de winter van 1612/'13 en bleven de zaken hangende. Maar in het voorjaar van 1613 begon de kwestie weer

i) Uitdrukkelijk werd bepaald, dat Schepenen steeds met den Schout moesten vergaderen.

Sluiten