Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de pen, elders om zijn bekwaamheid in het oplossen van ongewone arithmetische vragen, maar of hij goed kan lezen, met kinderen weet om te gaan, en eenige algemeene beginselen van smaak en godsdienstige kennis heeft, daaraan wordt nauwelijks gedacht. Zelfs in groote steden waren vele onderwijzers, die volstrekt onbekwaam waren in hun vak, wien het aan een matig, natuurlijk verstand ontbrak. Tot in het laatste kwart der achttiende eeuw bleef het oordeel over het onderwijs en de onderwijzers al even ongunstig en kras. Toen J. H. van der Palm op 16 Juli 1801, „het zevende jaar der Bataafsche vrijheid", de schoolopzieners te zijnen huize vergaderd had, verklaarde hij: „In het onderwijs der scholen zelve is niet maar hier en daar iets terecht te brengen, maar alles, het een melaatscher dan het andere, te herstellen en te herscheppen." De onderwijzers der jeugd hadden, volgens hem, geen denkbeeld van den aard en het gewicht hunner bestemming! De leerwijze der scholen was slaafsch en werktuigelijk, geschikt om den lust der kinderen uit te dooven, ja van den beginne te versmoren. De leerboeken waren vervelend en van geenerlei waarde, en de schoollokalen zelf niet zelden een onverwinlijke hinderpaal voor de meest noodzakelijke verbetering van het onderwijs ').

*

* *

We willen even de vakken nagaan, die destijds in de scholen werden onderwezen, en beginnen met het hoofdvak: lezen. Al spellende, uitentreure spellende, moest die kunst worden aangeleerd. En wel ten deele van het spelbord, waarop de meester de woorden

!) Nog onder de Wet van 1857 was er ergens op een Veluwsch dorpje — aldus verhaalt J. Versluys — een maitres, die... het klinkt ongelooflijk — de kunst van lezen niet verstond. Maar hoe maakte zij het dan, om den kinderen die kunst eigen te maken? Och, haar methode was eenvoudig. Mamsel, in haar catheder gezeten, ontving de kleinen, teneinde ze de leesles te doen opzeggen. Bij de minste hapering moest de jonge leerling de rechterhand uitsteken om het plaksken te ontvangen. Bij repetitie van het haperen volgde een tweetal plakskens. De grootere leerlingen, al zooveel jaren vertrouwd met maitres methode, zorgden wel, dat de kleinen eer zij den catheder beklommen, de les op hun duimpje kenden. De grootere leerlingen waren dus feitelijk de leermeesters voor de kleinere.

Sluiten